Precies tien jaar geleden schreef ik een beginnetje van wat later mijn Carnavalsroman zou worden. De toon en de vertelling zijn flink veranderd, maar Richard Gere en de kinderen en natuurlijk het Carnaval zitten al stevig in dit voorproefje dat ik laatst in een mapje van mijn laptop weer tegenkwam. De titel had toen nog elf woorden: Met een hart vol liefde en een fles voor de dorst, naar een bekend liedje van Minsekinder.
Komt-ie, en ‘drankhek’ is geen tikfoutje:

Dit wordt mijn avond.
Die woorden stoot ik uit tegen de spiegel, tegen mijn kop in het midden, tegen de tegeltjes van de badkamer daar omheen.
Ik hou mijn rechterhand vlak en met mijn linkerhand hou ik de flacon schuin en giet ik de jenever in het kuiltje tussen mijn duim en mijn pols, en ik hou mijn neus erbij en snuif de jenever op, en de alcohol schiet door tot diep in mijn achterhoofd, door die verwarde massa die ik mijn gedachten mag noemen en die wakker geschud worden.
Ik sidder, draai de dop op de flacon, ik moet rustig blijven, blijven staan.
De kunst van het evenwicht.
Ik trek mijn pak aan, dit wordt mijn avond.
Eerst die witte paradebroek met die hele lange rechte broekspijpen, dan een hemd, een wit overhemd en het witte mariniersjasje met de gouden knopen en in de kraag een labeltje waar het getal 58 op staat, de grootste maat die er lag.
Op de schouders zitten van die zwarte dingetjes met een ster erop.
Dit wordt mijn avond.
Van de week heb ik het jasje nog naar de stomerij gebracht, want het heeft bijna vijf jaar in de kast gehangen zonder hoes, en op de schaal voor stofallergie scoor ik vijf uit vijf.
De boord van het jasje is recht, en staat iets omhoog.
Ik heb zwarte gelakte schoenen zonder veters en mooie dunne kousen, en om het allemaal af te maken heb ik een pet, een witte pet met een zwarte rand aan de onderkant, en op die rand een gouden streep en het logo van de Navy.
Weer kijk ik in de spiegel.
Richard Gere is het nog net niet, maar ook als hij er vanavond zal zijn, dan is deze avond van mij.
Ik pak het washandje, het vod waarmee ik de smeer van mijn poten en mijn gezicht heb geveegd, uit de wasbak en hou het onder de kraan en ik hoor dat beneden in de kamer de muziek weer wordt opgezet en ik hoor Lau – ik noem hem maar gewoon bij zijn voornaam – het lied zingen dat hij vanavond in de grote finale ook zal zingen, en ik sta dus hier met dat washandje en met de kraan open, en ik knijp het uit en knijp en blijf knijpen, en de druppels smeer lopen langs het glazuur naar de afvoer, als zwarte tranen.
Soms heb ik opeens zo’n beeld in mijn hoofd, soms daarbij de juiste woorden.
Of bij een geur.
Het washandje ruikt naar de pont, naar de pasgesmeerde ketting en de metalen wielen waar de ketting doorheen roffelt, die werkkleren in de wasmand ruiken naar de pont, naar de uitlaatgassen van de auto’s die helemaal tot vooraan doorrijden en lang wachten met het afzetten van de motor, en als ik mijn handen voor mijn neus hou kan ik ondanks de zeep de pont nog ruiken: mijn geldtas, mijn muts, de ketting, de oevers, de slagboom.
Dat zijn de woorden.
Ook zijn er de klanken.
Dit witte pak, dit gestoomde witte pak, ruikt naar Vastelaovend, en beneden klinkt het als Vastelaovend, want de muziek wordt opgezet, en het ene moment voelt het alsof ik nog in de cabine van de pont sta en naar de overkant dobber en het volgende moment voel ik me als op Vastelaovend, mijn gevoel slingert heen en weer tussen de oevers in mijn hoofd, in mijn maag, zoals dat lied, dat werkelijk schitterende lied, ook deint en klotst, en het refrein van dat lied komt van mij, dat zijn mijn woorden, dat lied is van mij, en de kaartjes voor de finale zitten in de binnenzak van mijn jasje en we gaan winnen, we gaan winnen, we gaan godverdomme winnen.
Dat is het woord dat het verst weg ligt, maar langzaam dichterbij komt: winnen.
Al tien keer heb ik gekeken of ze er nog zitten, achter de vanmiddag bijgevulde flacon.
Een klein slokje nog: We gaan winnen.
Iedere keer zaten ze er nog, ook nu zitten ze er nog.
Lau stuurde ze op, gewoon in een envelop.
Nu het bijna zo ver is kan ik het allemaal amper geloven, en toch is het allemaal echt, net zoals het echt was toen de grote liedjesschrijver Lau van Steenis in zijn hardloopbroek en in zijn dunne shirtje bij mij de pont op kwam draven, in een zomerse stortbui, een verschrikkelijke stortbui, en het werd fris en ik wenkte hem, nog voor ik hem herkend had, en hij kwam schuilen bij mij boven in het hok, en ik vroeg hem of hij iets te drinken wilde om een beetje warm te worden, nou dat wilde hij wel en we dronken wat en toen zag hij de foto van de meisjes in hun clownspakken, van jaren geleden, die ik met tape tussen de raampjes had geplakt, en natuurlijk herkende hij het plein, en hij vroeg me naar hun ogen, en ook naar de mijne, want de mijne had ik gesloten.
Hij vroeg: Waar kijken ze naar?
Ik zei: Nergens naar, ze kunnen niks zien.
En Lau keek nog eens goed naar die foto, hij hangt er nog, met die groene tape, ik weet precies wat er op staat: een touw met driehoekige vlaggetjes in alle kleuren, daarachter de toren van de kerk, een drankhek, de blauwe pakken van de harmonie, een man met bekkens, een koperblazer, een vrouw in een heel groot geel kuikenpak en Helen en Nettie die tegen dat dranghek staan, hun handjes om de spijlen, en de man die tussen de meisjes in staat, in zijn rode jasje met sjerp, zijn broek met vouw, die grote ronde hoed en met zijn ogen dichtgeknepen en zijn handschoenen tegen zijn oren – dat ben ik.
Lau vroeg: Luisteren ze naar de muziek?
Ik zei: Nee, ze kunnen ook niks horen.
En hij keek me aan daar in dat hok van me, hoog boven de rivier, terwijl de pont zijn weg zocht, met de stroming die hem wegdrukt en de ketting die hem op z’n plek houdt, en Lau durfde het eigenlijk niet te vragen, dat zei hij later, maar hij deed het toch.
Hij vroeg: En toch zijn ze bij de Vastelaovend?
Ja, zei ik, en ik weet niet waar het vandaan kwam, maar opeens voelde ik wat ik probeerde te voelen toen de optocht voorbij kwam dat jaar en ik daar achter dat hek stond: hoe het is om niks te zien en hoe het is om niks te horen, en wat er dan nog over schiet.
Opeens had ik er de woorden voor.
Ik hield mijn linkerhand, met mijn borrelglaasje, voor me en klopte met mijn rechterhand tegen mijn borst, zo, en ik zei: Lees maar.
Want onder de foto hing een stukje papier waarop ik een dag na die optocht schreef:

Al hoor je niks dan de stilte,
en wat je ziet is geheel zwart,
de Vastelaovend die voel je,
heel diep in je hart.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen