Ruim twaalf kilo verliezen in drie maanden? Ik maakte een eenvoudig plan en het lukte, ruimschoots. Dat plan wil ik graag delen, met het risico dat ik de nieuwe afvalgoeroe word. Neem ik op de koop toe. Ik wil vertellen wat werkt, doe er je voordeel mee. Over het plan is trouwens geen discussie mogelijk. De wereld van de gezondheid bestaat uit meningen, maar als je zelf gaat afvallen is iedere mening van buitenaf fataal. Het draait alleen om jouw doel, om de methode en om het resultaat. Het spreekt voor zich dat dit plan niet aansluit bij andere methodes, die niet werken.

Het begon toen ik het zat was. Mijn gewicht ging het afgelopen jaar langzaam in de richting van de 100 kilo, en dat vind ik simpelweg te veel. Mijn lengte: 1.87. Dan is een gewicht van iets onder de 90 kilo prima.

Geloof trouwens niet de BMI-berekeningen van het Voedingscentrum. Met mijn geslacht, leeftijd en lengte is 88 kilo te zwaar, maar als ik voor de gein 65 kilo intik meldt de rekenhulp: ‘Je gewicht is gezond.’ Een ding weet ik zeker: als ik 65 kilo weeg ben ik doorzichtig. Dat is de combinatie van lengte en gewicht van ijzingwekkend dunne wielrenners. Rico Verhoeven heeft trouwens met zijn lengte en gewicht een BMI van 32,5. Gevaarlijk zwaar overgewicht! Dat geeft wel aan dat deze rekenmethode niet deugt.

Maar goed: ik ging naar de 100 kilo, op een gegeven moment na een gezellig etentje tikte ik de 101 aan. Daar ging ik net weer iets overheen. Dat was te veel. Dus half december nam ik me voor af te vallen, terug naar onder de 90 kilo. In de weken tot oudjaar zou ik proberen wat ritme te krijgen in eten, maar ik wist ook dat het tijdens de kerstdagen en met oud en nieuw niet zo gezellig is om geen lekkere hapjes te eten, ook al zaten we dit jaar voornamelijk met het gezin thuis. Op 1 januari zou ik echt beginnen.

Mijn plan is gebaseerd op vaste hoeveelheden eten op vaste tijden, over een lange periode. Op 10 april ben ik jarig. Ik weet toevallig: dat is precies de honderdste dag van het jaar. Mooi ijkpunt. Als ik iedere dag gemiddeld één ons zou verliezen, een kilo in tien dagen, dan zou ik op mijn verjaardag tien kilo lichter zijn. Dat moest ik met gemak halen. Eenvoudig doel, waar ik alleen nog een eetschema aan hoefde te koppelen.

Dat schema:

* Om 9 uur in de ochtend één boterham met kaas en augurk. Geen mosterd of andere toevoegingen voor de smaak, en slechts kaas die het brood bedekt: twee smalle plakjes. Niet dubbel, geen vier plakjes, geen ham erbij. Ook niet even lekker twee plakjes kaas snoepen om het stuk kaas recht te maken, of vier plakjes. Niks! Die augurk voegt weinig toe, maar sluit wel aan bij een geweldig dieet dat ik lange tijd gepredikt heb: het augurkendieet (je mag alles eten, behalve augurken). Iedere ochtend een knipoog naar dat even grappige als waardeloze dieet.

* Om 12 uur in de middag weer die ene één boterham maar nu met twee kleine stukjes worst, maakt niet uit wat voor soort. Salami, chorizo, leverworst of kookworst. Twee plakjes. Op dat broodje smeerde ik wel badjak en op ieder schijfje worst legde ik een groen pepertje uit een potje dat in de supermarkt bij de Oosterse spullen staat. Dat geeft smaak, even een kick, en er zitten amper calorieën in. Ook nu: geen plakjes worst snoepen, geen kontje even opruimen, geen salami recht snijden, geen snaaien, niks.

* Vervolgens om 15 uur één stuk fruit. Meestal een middelgrote banaan, of een appel. Die zocht ik in de supermarkt uit.

* Dan om 18 uur avondeten, de moeilijkste maaltijd. Ik kook vrijwel iedere dag voor een gezin van vijf, en iedereen moet genoeg hebben, behalve ik. Dat betekende: evenveel maken, minder opscheppen. Geen vol bord en als dat op was nóg een opscheplepel. Dat is te veel. Wat ik at: ongeveer tweederde bord van wat ik normaal eet. Nu weet ik precies hoeveel pasta, rijst of aardappelen genoeg is voor twee volwassenen, twee schrokkende veelvraten van tieners en een kleuter, en de moeilijkheid is dat niemand tekort mag komen, behalve ik – ik moet tekort komen. Dus ik kookte iets minder en liet eerst de kinderen hun gewone hoeveelheid opscheppen, dat was een perfecte stok achter de deur.

Die vaste tijden zijn belangrijk. Vanzelfsprekend had ik de eerste weken iedere ochtend om elf uur stevige honger, maar een uurtje honger hebben is te overzien. Na dat uur (een lang uur) is er weer eten. Om twee uur weer honger, en dan een uur later fruit. Moeilijk, maar te doen. Een paar uur na een maaltijd nog even iets lekkers pakken, dat is een gewoonte, daar moest ik vanaf. Die honger is ergens een goed teken, zonder honger val je niet af. Mijn afvallen gebeurde in die uurtjes.

Dat was het. Tussendoor: helemaal niks. Geen koekjes, geen kaas (mijn zwakke plek), geen chocolade, geen drop, geen extra fruit, geen yoghurt met muesli. Niks noppes niks. Ik trok me niks aan van andere diëten, die uitgaan van koolhydraten beperken of zuivel niet samen laten gaan met proteïnen, of geen suiker in de koffie. Allemaal veel te ingewikkeld.

Ik ben niet naar de sportschool geweest. Wel fietste ik veel, maar dat deed ik al, en niet om te sporten maar om ergens te komen. Sporten heeft geen enkele zin als je je eetpatroon niet aanpast. Het werkt juist omgekeerd. Ga een paar kilometer hardlopen of een paar uur fietsen; daarna voel je je heel goed en gezond, maar je krijgt er vreselijke honger van en je gaat juist iets eten. Jezelf belonen na goed gedrag. Niets is lekkerder dan een dik stuk kaas na het sporten. Je verbrandt eerst iets, je eet daarna nog iets meer.

Er zijn mensen die geen alcohol meer drinken. Ik dronk niet minder in deze periode, maar liet ook niks staan. Bier, wijn, borreltje, het maakt allemaal geen verschil. Gewichtstoename zit in het eten. Nu is kaas samen met wijn een geweldige combinatie, zeer gevaarlijk, en dat werd dus wijn zonder kaas. Trouwens, de echte alcoholisten die je vroeger nog wel in de stad met halveliters op bankjes zag zitten, waren allemaal broodmager.

Het mooiste aan mijn systeem: het geeft zekerheid. Als ik me eraan zou houden viel ik af, at ik meer dan viel ik niet af. Simpeler kan niet, ik moest alleen wel bijhouden wat de dagelijkse tussenstand was. Dus iedere dag op de weegschaal. Afvallen is meten. Ook dat meten deed ik op dezelfde tijd, liefst op de meest gunstige tijd: ’s ochtends nadat ik naar de wc was geweest, in alleen een onderbroek. Ik ging uit van het laagste gewicht dat ik op een dag kan hebben. ’s Avonds ben je doorgaans anderhalve kilo zwaarder. Kleren, dat scheelt iets meer dan twee kilo.

Leuke test: ’s avonds voor het naar bed gaan op de weegschaal gaan staan en de volgende ochtend weer; dat scheelt vaak één tot anderhalve kilo. Afvallen doe je ’s nachts, in bed. Dat eet je er overdag weer bij, maar geeft wel aan dat gedurende een dag je lichaamsgewicht flink schommelt. Ieder dag op de weegschaal gaan staan is niet eng, het geeft controle.

Het kan minutieuzer. Weeg jezelf ieder uur en de weegschaal vertelt dat je afvalt door niks te doen. Iedere twee ongeveer een ons eraf. Natuurlijk is het krankzinnig zo vaak op de weegschaal te gaan staan, het is wel de basis van het vertrouwen dat nodig is om af te vallen.

Ik maakte een schema in excel met horizontaal de dagen en verticaal de kilo’s. Het vakje van 1 januari maakte ik lichtblauw (vriendelijke kleur, geen rood gebruiken!). Om de tien dagen had ik al vakjes donkerblauw gemaakt: mijn streefgewicht. Steeds een kilo minder dan tien dagen daarvoor. Invullen maar: 2 januari: 99,5; 3 januari: 98,7; 4 januari: … De lijn van de lichtblauwe blokjes moest onder de donkerblauwe markeerpunten blijven. De lichtblauwe blokjes duikelden al gauw omlaag. Op naar 90 kilo op mijn verjaardag!

Hier doemt de grootste moeilijkheid van afvallen op: de tijd. Afvallen is iets wat je in één keer wilt, ik nam honderd dagen. Dat is eindeloos lang. Dat is heel saai. Dat is die eerste weken zeker twintig ochtenden tussen elf en halftwaalf uur honger hebben en op de klok kijken, naar wijzers die tergend langzaam gaan.

Dat is honderd keer in de ochtend wegen, noteren, minieme stapjes. Het is de trap afdalen in een flatgebouw en iedere dag slechts één trede lager gaan staan. Dat is soms een kleine toename zien vergeleken met de dag ervoor, en dat slaat het vertrouwen direct compleet dood, want een lichaam is flexibel en soms ongrijpbaar, het kan alleen over een langere periode lichter worden. Geduld, vertrouwen, lange adem. Naar de begane grond.

Gelukkig: het werkte. Natuurlijk werkte het. Het werkte bijzonder goed. De lichtblauwe vakjes in excel bleven onder de donkere. Na een maand zat ik onder de 95 kilo, na twee maanden onder de 90 kilo, eerder dan gepland. Halverwege maart zat ik ruim 12 kilo in de min.

Tegenslagen waren het zeker. Tijdens een dagje varen met vrienden at ik natuurlijk meer dan ik met mezelf afgesproken had. Dat betekende drie dagen inhalen om de curve weer op de gewenste plek te krijgen. Zo’n tegenvaller gaf me direct het idee helemaal maar te kappen met die onzin, maar toen ik weer op het juiste spoor zat en de lijn weer, voelde ik me weer goed en vol vertrouwen.

Het gevoel dat je lichter wordt is meesterlijk. Aan mijn huid voelde ik dat er daaronder meer ruimte is. Ik voelde het aan mijn wangen, aan mijn benen, ik zag het niet alleen aan mijn buik maar vooral ook aan mijn gezicht. Ik ademde anders. Ik bewoog anders. Ik vloog de trap weer op.

Dat sterke gevoel als het lukt, die euforie, dat is tegelijk de ziekte van het afvallen. Tenminste, bij jonge mensen is het een ziekte, omdat het ongezond kan worden. Het gevoel dat je zelf opwekt door minimaal te eten en sterk te zijn is volgens mij hetzelfde. Ik moest vaak denken aan de dikke man in het gele shirt waar met grote letters op staat: ‘I beat anorexia.’

Ik was erg streng voor mezelf, maar anorexia ging het niet worden. Er moest ergens een einddoel zijn. De honger verdwijnt na een week of vier. In plaats van het moment rekken waarop ik weer mocht eten, moest ik mezelf op de juiste tijden dwingen iets te eten, omdat ik het anders vergat.

Het grote nadeel van onze maag: het is een flexibel orgaan. Wen je maag aan grote hoeveelheden eten, dan word je zwaarder en dan groeit allereerst je maag mee. Je maag vraagt om die steeds grotere hoeveelheid. Er zijn operaties om je maag te verkleinen, een uiterst streng dieet is je maag verkleining zonder operatie. Dat gaat langzamer. Het is je maag laten wennen aan minder eten. Wat eveneens helpt: iedere keer als mijn maag vroeg om voedsel en ik het niet gaf, wist ik dat mijn maag een stukje van mij op at. Dat is afvallen: jezelf opeten.

Na twee maanden kon ik de overhemden die eerst te strak zaten (knoopjes geven dat even irritant als feilloos aan; de openingen vormen ruitjes) weer aan. Mijn dochter zei: ‘Goed zo papa.’ Ik had een riem nodig. Eind februari rekende uit dat ik, als het zo door ging, op mijn verjaardag ergens rond de 88 kilo zou zitten. Een vriendin van me vroeg: ‘Maar hoe ga je dit weer stoppen?’

Ik wilde in die fase nog niks stoppen, maar dacht daar wel over na. Als ik zo doorging met gewicht verliezen en door mijn doel zou schieten, dan ging het aan de ondergrens niet goed. Ergens halverwege maart stabiliseerde mijn gewicht vrijwel vanzelf op ongeveer 88 kilo. De lichtblauwe vakjes bogen af naar een vlakke lijn. Ik was klaar.

Iedereen kan dit doen. Streng zijn, volhouden, de tijd van de curve overzien en de duur van de honger beperken. Lukt het niet, dan weet je één ding zeker: ik heb meer gegeten dan in dit stuk staat beschreven.

Succes.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen