Ik haalde de banaan uit mijn tas en pelde hem, op de fiets. Ik ging van het ene voetbalveld naar het andere, langs de Weespertrekvaart. De bananenschil gooide ik in de struiken onderaan de dijk, dat is compost, dat vergaat wel, dat is de natuur, ook al komt deze exoot hier in de polder niet in het wild voor. Vlak nadat ik de schil had weggegooid en een hap van de banaan had genomen hoorde ik boven me een vogel. Het was een kraai.
Hij vloog ongeveer een meter boven me, en hij volgde me. Ik had de banaan in mijn ene hand en een tas op mijn rekje waardoor de fiets instabiel was als ik met losse handen zou gaan rijden, dus ik kon hem niet wegjagen, en als ik met de banaan ging zwaaien dacht de kraai misschien dat hij iets te eten kreeg. Hij bleef me volgen. Ik riep iets. Ik gebaarde toch maar. De kraai kwam steeds dichterbij. Ik slingerde. Misschien was dit het territorium van de kraai en mocht ik daar geen schillen dumpen, of in ieder geval niet zonder ook wat eetbaars achter te laten. Ik naderde het einde van de trekvaart, waar het fietspad een bochtje maakt, en de kraai klauwde een keer op mijn hoofd, met beide poten, en toen verdween hij over het water. Ik kwam buiten zijn gebied.
Zo’n vogeltje kan op zich niet zo veel doen. Hij kan mij niet aan zijn klauwen optillen en ontvoeren, zoals je dat met kinderen in films ziet gebeuren. Adelaars doen dat. Die pootjes van een kraai zijn wellicht scherp, maar ook wat onschuldig, het was vooral zijn gedrag dat irritant was. De ruimte die hij innam. Het fietspad is voor fietsers, niet voor vogels.

»

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen