Soms denk ik ineens aan een boek dat ik ooit gelezen heb, en weer wil lezen. In de kast staat het niet meer. Weggegeven, uitgeleend, verkocht. Maakt niet uit, ik bestel het opnieuw en binnen een paar dagen kan ik het weer lezen. Het mooie van goeie boeken: ze blijven altijd bij je.

Zo dacht ik ergens in februari: Zijde, van Baricco, die wil ik weer lezen, natuurlijk in vertaling van Manon Smits, die alle Baricco’s in vertaalde. Zijde is een klein boekje, zelfs in zijn superkleine formaat (past in je broekzak) nog maar 120 bladzijden, en zelfs dan heel veel witruimte. Allemaal korte hoofdstukjes, soms van een paar regeltjes.

Zijde steunt op een groots verhaal, op poëzie, op herhaling en mooie beelden. Het verhaal: een man in het Frankrijk aan het einde van de negentiende eeuw gaat naar Japan om eitjes van zijderupsen te kopen. De Franse zijderupsen zijn door ziekte dood gegaan. Japan is in die tijd nog iets mysterieuzer dan nu. Vergelijkbaar trouwens met mijn eigen De onverwachte rijkdom van Altena, dit verhaal, al spelen in dat boek geen zijderupsen een bepalende rol, maar parels.

De herhaling wordt door Baricco uiterst secuur en doeltreffend uitgewerkt. Als de man, Hervé Joncour, naar Japan gaat wordt die eerste reis in hoofdstuk 12 heel opsommend en droog beschreven waar hij de grens overging, hoe hij door Siberië reisde, wie hem in Japan bij de man bracht die hij moest zien te spreken. De tweede reis, in hoofdstuk 19 wordt op precies dezelfde manier beschreven, een hele bladzijde, en de derde reis in hoofdstuk 31 weer bijna hetzelfde, behalve dat er nu een oorlog dreigt in Japan. De vierde reis: nu is het echt oorlog, maar die eerste bladzijde van de reis is identiek. In een klein boekje waar zo sporadisch met informatie wordt omgesprongen, waar letterlijk grote sprongen worden gemaakt, over de wereld en in de tijd, is zo’n letterlijke herhaling van een complete reisbeschrijving heel geestig.

Ook herhaalt Baricco af en toe een beschrijving, zoals die van het meisje waar Joncour in Japan voor valt: ‘Haar ogen hadden geen oosterse vorm, en haar gezicht was het gezicht van een meisje.’ Komt een paar keer in precies dezelfde zin, met steeds die komma, terug. Brengt me automatisch bij de poëtische vorm die Baricco een paar keer kiest, , zoals in hoofdstuk 14: ‘Plotseling / zonder zich ook maar te bewegen, / deed dat meisje, / haar ogen open.’ Lees voor de slash een spatie. In hoofdstukje 32 doet hij hetzelfde: ‘Daardoor zag hij, / ten slotte, / plotseling, / hoe de hemel boven het paleis…’ Dit heeft een doel, en niet voor niets komt het woordje ‘plotseling’ hier terug. Baricco wil net even het moment vangen, en dat lukt hierdoor.

Dan blijven nog de beelden over. Baricco beschrijft op een gegeven moment vogels die met hun vleugels de lucht uit lijken te wissen. Als gummetjes. Blauwe vogels, tegen een blauwe lucht. Mooi beeld. Verderop ontspannen een heleboel vogels uit een volière. Dan breekt er in het Japanse dorp paniek uit. Eerder is al verteld dat je aan de hand van de vlucht van een vogel de toekomst kunt voorspellen. Een vader die zijn zoon met pijl en boog een vogel neer laat schieten, leert de jongen: om de toekomst te voorspellen, volg de vlucht van de pijl. Dat is een zeer helder idee, dreigend en persoonlijk tegelijk. Zonder uit te wijden over oorlog, onderlinge menselijke verbanden, bepalende gebeurtenissen laat Baricco dit beeld spreken.

Juist het verhaal spreekt weer veel minder. De ontmoetingen tussen Joncour en een Japanner die Hara Kei heet en bepalend is voor de zijderupseieren, verlopen met een minimum aan woorden, en ook wat vaak is er oogcontact en rennen de personages weer weg van elkaar. Ik heb ze niet geteld, maar schat dat wel tien keer afscheid wordt genomen, zonder woorden, alleen even kijken en dat vertrekken. Dat wordt een trucje – het enige minpuntje aan Zijde. Die scènes doen denken aan arthousefilms, waarin de regisseur meent dat je op die manier een onbereikbare liefde in beeld kunt brengen: eindeloos naar elkaar kijken en weer weggaan. Dat is een beetje storend. De vrouw met het meisjesgezicht lokt Joncour terug naar Japan, ook al lijkt hij voor de zijderupsen te gaan. Ze schreef hem: ‘Kom terug, of ik ga dood.’ Nadat Joncour dat heeft laten vertalen in Frankrijk keert hij terug naar Japan om vervolgens in zo’n kijk-en-wegren-scène te belanden. Toch zit het verhaal uiteindelijk net iets anders in elkaar, vermengen de personages en het verhaal tot één geheel, een aandoenlijk liefdevol en schrijnend geheel.

Neemt niet weg dat Zijde een ijzersterk boekje blijft, goed verteld, met op iedere bladzijde een mooie spanning, met allerlei literaire middelen die effectief gebruikt worden, en dus zeker het opnieuw bestellen en herlezen waard, zeker natuurlijk als het kleine boekje voor twee of drie euro op Boekwinkeltjes te bestellen is.

Toen ik Zijde uit had bestelde ik Zonder bloed, ook door de Geus uitgegeven in een kleine gebonden versie, ook vertaald door Manon Smits. Het is een misdaadverhaal in een fictief land na een oorlog. Een man die Mato Rujo heet – de Spaanse namen koos Baricco om de klank, zo meldt hij in een voorwoord – beschermt zijn dochter Nina door haar in een gat onder de vloer te verstoppen als drie mannen in een Mercedes hem komen vermoorden. De rollen van de partijen zijn onduidelijk. Mato Rujo heeft allerlei vreselijks uitgehaald in de oorlog. Salinas, el Gurre en een jongen die Tito heeft zijn niet vies van geweld. Een zinnetje dat een paar keer terugkomt: ‘De oorlog is voorbij.’ Dat is natuurlijk niet zo, na het sluiten van de vrede gaat de oorlog door. Nina wordt ontdekt door Tito, de jongen dekt het gat weer toe en op die manier ontsnapt het meisje.

Het eerste deel van Zonder bloed is dat verhaal: geconcentreerd op die ene scène. Het is prachtig bondig, met personages die alleen in die scène handelen en spreken, met het gewicht van de oorlog in alles wat ze doen. In het tweede deel verschijnt een oude vrouw, je voelt direct: dat is Nina. Ze voert een gesprek met een lootjesverkoper – dat blijkt Tito te zijn. Eveneens een sterke scène, tot de beide oudere personages gaan praten over wat ze in hun leven gedaan hebben. Dan verzandt het verhaal in allerlei sprongen, met een heleboel zijpersonages die opeens heel ver van de ontmoetingsscène tussen Nina en Tito vandaan staan. De vrouw is hard en meedogenloos, Tito leeft klein leeft sober. De vrouw verdween een tijdje, ze heeft kinderen, ze was vergeten, ze vermoordde haar vroegere belager el Gurre. Het is een opsomming op hoog tempo die de lezer amper de kans geeft mee te lezen. Het idee achter dat verhaal is goed: je kunt niet zaaien zonder eerst te ploegen. Na de oorlog was er de wens zaken te veranderen, dus alles wat fout was moest worden weggesneden. Eerst de boel overhoop halen, dan opbouwen. Dat ieder mens anders in die zwart-wit verdeling van goed en slecht staat is interessant. Dat deel van het verhaal, het gesprek, mis echter handeling. Het is geen scène. De personages die eerst handelden, hoe passief ook, als kind in een gat onder de grond of als jongen met een pistool, gaan vertellen. ‘Daarna vertelde ze iets anders,’ is het meest opvallende zinnetje. Ze vertellen maar door. ‘Daarna zei ze nog allerlei andere dingen.’

Vreemd dat een klein boekje van nog geen honderd pagina’s te dik kan zijn, te lang door kan sudderen zodat het taai wordt. Dat is mijn les van Zonder bloed. En dat allemaal doordat de vertelling zo drastisch verandert. Toch, dat eerste deel is bijzonder. Het lijkt een doorsnee misdaadfilm, een scène van Tarantino die in Inglourious Basterds een meisje laat ontsnappen aan een SS-er, en als ze volwassen is runt ze een bioscoop. Zonder bloed is zes jaar ouder dan deze film, maar de film is gebaseerd op een Italiaanse film die Quel maledetto treno blindato heet, uit 1978. Dat ik alleen al zoiets op ga zoeken, zes pagina’s voor het einde van een klein boekje, zegt genoeg.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen