In een tv-programma waarin rijke mensen met minder bedeelde mensen ruilen van huis, voor een week, moest de rijke man voor een zeer beperkt budget boodschappen doen. Een kleine week, en hij wilde met zijn gezin van in totaal vijf, onder de vijftig euro blijven. Dat lukte. Ze moesten 47 euro nog wat betalen. Ze kwamen de winkel uit. Hij zei:

‘We hebben niet alles wat we willen, maar wel alles wat we nodig hebben.’

Het bleken warme mooie mensen, deze rijke mensen. Ze konden vervolgens in Scheveningen eten ophalen bij een eetcafé waar eten uitgedeeld werd voor mensen die het moeilijk hadden. Gewoon voor niks. Daar was de uitbater in de eerste coronagolf mee begonnen. De rijke mensen waren heel blij met het eten en met de besparing, en ze waren ontroerd door het initiatief.

De eigenaar van het eetcafé zei: ‘Wat je geeft krijg je terug.’

Nog geen halfuur later was er op dezelfde zender, het was zapploos avondje, een programma waarin sterrenkok Hans van Wolde in Limburg een droom najaagt; hij wil een restaurant opbouwen in een klein dorpje. Mooi idee, ik kijk graag naar ondernemers. Met een cameraploeg erbij was hij bovendien verzekerd van reclame. Wat opvallende uitspraken in de eerste afleveringen zorgen wel voor meer media-aandacht. Wat ik vooral zag: vooral de ijdelheid die moderne sterrenkoks niet vreemd is werd gevoed, meer dan de monden van de gasten.

Nu waren er geen gasten, want vlak na de opening moest het restaurant wegens corona dicht. Dat is pech. Daarvoor was de kok ook vooral met zichzelf bezig. Hij ploeterde in zijn pas aangeschafte boerderij, toen die nog restaurant moest worden. Hij liet blijken dat hij eigenwijs was, niemand stond achter zijn idee, maar hij deed het toch. Dat past bij het imago van topkoks: lekker rebels. Hij klaagde vooral veel. Hij dacht aan alles wat hij nodig had.

Toen de Limburgse buurman opmerkte dat hij misschien aan de gunfactor in de lokale gemeenschap moest gaan werken sprak deze kok de bewoners van het kleine dorpje toe: ‘Jullie moeten dit met mij doen, want ik wil dit.’

Typerend voor de houding van ambitieuze horecamensen, die bovendien nog eens sterren najagen. Op geen enkele manier ging het over andere mensen, behalve wat anderen moeten. De anderen zijn er voor hem. Bijna iedere zin begon met: ‘Ik wil…’

Het klonk alsof hij ging koken voor zichzelf.

En toen ging zijn restaurant open en vijf dagen later kon alle horeca in Nederland dicht. Laat zijn tentje daar nou ook onder vallen. De topkok werd gefilmd, in zijn eentje in zijn nieuwe restaurant, met zijn eigen terneergeslagen gevoel. Je kreeg de indruk dat alleen zijn zaak moest sluiten.

Ik dacht aan de Scheveningse kok die de rijke gasten in Duindorp een paar tasjes eten meegaf. Die vertelde dat zijn vader hem geleerd had mensen te helpen. Die vertelde dat hij gedroomd had over zijn vader, toen die net overleden was. Toen hij wakker werd wist wat hij moest doen. Zijn zaak moest ook dicht, alles moest dicht, maar hij hield zijn zaak open en ging mensen helpen, met wat aardappelen, boontjes en vlees.

Toen de rijken mensen op straat warme chocomel gingen verkopen om voor de arme Scheveningse moeder met drie kinderen wat geld in te zamelen kwam de kok met een werkneemster even kijken. Hij kocht een plastic bekertje chocomel. De rijke moeder vroeg: ‘Met slagroom?’

Hij zei opgewekt: ‘Natuurlijk met slagroom!’ Ik hoorde dat hij er echt van ging genieten. En hij gaf een dikke fooi.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen