Ik voorspel dat in veel recensies over van Hier is alles veilig, van de Vlaamse Anneleen van Offel, terug zal komen: ‘Schitterend van taal.’
Dat klopt en is heel mooi, maar tegelijk is het een leeg oordeel dat niet meer zegt over het proza dan: het is mooi. Mooi van taal. Dat is een kwalificatie, maar evengoed kan een ander zeggen: ‘Dit is niet mooi van taal.’
In recensies, die tegenwoordig vaak maar 300 woorden beslaan, zal zo’n leeg zinnetje niet misstaan, als aanvulling op deze voorspelling wil ik graag laten zien waarin de schoonheid van dit proza schuilt, wat er gebeurt met de lezer, meteen op de tweede pagina:

‘De schemer verzacht de contouren van het bed, van het roltafeltje ernaast en het boek op het tafelblad. Hij vaagt de vlekken in de vloertegels weg, het stof op de vensterbank, de afbladderende verf op het houten kozijnen, de weerschijn op de ramen. Daarachter zakt Haifa weg in de avond.
Ik neem een foto van hem. De flits gaat per ongeluk af. Uitgelicht ligt hij op het bed. In de kamer hiernaast begint het te stortregenen. Iemand roept iets, het klinkt als in een badkamer, iemand anders antwoordt. Gelach.’

We zijn in een ziekenhuis, en geen florissant ziekenhuis. Precies het ziekenhuis dat ik me voorstel bij een ziekenhuis in Haifa. Bij heel Haifa, dat ligt in Israël. Iedere zin heeft handeling. De zon gaat niet onder, Haifa zakt weg in de avond. Mooie omkering. Bijna zintuiglijk hoe die kamer beschreven wordt. Het woordje ‘ziekenhuis’ staat nergens, maar ik voel: ziekenhuis. Bijzonder. Een gebouw voelen zonder dat te benoemen, alleen details oprakelen. Een roltafeltje met een boek, dat is een ziekenhuis. De geluiden vanuit een andere kamer, misschien in een andere taal, onpersoonlijk, behalve het gelach. Een foto nemen is opeens heel persoonlijk, en dan een flits, per ongeluk.
Er gebeurt veel. Mijn leestempo moet omlaag, want ik moet al deze beelden zien te plaatsen, zien te linken met mijn eigen beelden, van ziekenhuizen die ik helaas maar al te goed ken, maar nu in een land ver weg. Een eng en afstandelijk politiek gekleurd land waar wel veel over bekend is, maar niet hoe de ziekenhuizen daar zijn. Daar zijn ook die roltafeltjes. Net als hier dus. Overal zijn mensen ziek, overal liggen overleden mensen in ziekenhuisbedjes, maar voor hoe lang?
Van Offel schudt de beelden uit haar pen. Achter elkaar, in zinnen die verband hebben, die in elkaar grijpen als stenen in visgraat.
‘In de kamer hiernaast begint het te stortregenen.’ Ik denk: er begint iemand te huilen, maar ik weet niet zeker of dat klopt. Dus ik lees verder op zoek naar de bevestiging van mijn waarheid, en die komt niet. Ik moet het als lezer doen met de beelden die in mijn hoofd allerlei wendingen nemen, vervormen, in de hoop ergens weer bij elkaar te komen.
Dit is niet alleen schitterend van taal, dit is proza dat erg beeldend is, spannend, weinig duiding geeft en toch je zin na zin voortstuwt het verhaal door, want er is ook een locatie en af en toe handeling, net voldoende, dus die beelden komen uiteindelijk wel ergens binnen, in mijn hoofd.
Meteen na deze passage een witregel, en dan een zin waarin het licht niet aangaat, maar ‘De tl-lampen schieten bliksemend aan.’
Wat mooi, het aanflikkeren van een tl-buis als de bliksem. Ik knik. Ja.
En dan een verpleegster, het verhaal wordt weer persoonlijk.
Zo lees ik Hier is alles veilig. Iedere zin brengt me verder Israël in, dichterbij deze vrouw, Lydia, want haar volgen we op deze trip door het beloofde land: Israël.
Dat is meteen een moeilijk deel van deze roman: de locatie en het immense probleem dat daaraan kleeft.
Jeroen Olyslaegers stelt in een quote op de cover al dat Van Offel ‘met haar zinnen en gedachten door de complexiteit van een conflict snijdt en toont zo wat het betekent om alsnog een mens te blijven.’
Ik weet niet of dit een verwijzing is naar Is dit een mens, van Primo Levi. Ik weet wel dat ik veel weerstand heb tegen dit land, het conflict, beide partijen, de onoplosbaarheid ervan. Wat gaat een roman daaraan toevoegen, of veranderen? Dat laatste zal nooit het doel of streven van een roman zijn, het eerste is gezien de keuze voor deze locatie wel de bedoeling. ‘Van Offel sprak tientallen Israëli’s, soldaten en hun families,’ meldt de achterflap. Waarom zou je dat doen? Sprak ze ook Palestijnen? Waarom zou je al die mensen eigenlijk gaan spreken?
Dat is mijn persoonlijke weerstand. Ik sta zo ver buiten dit conflict dat ieder woord erover me vreemd aandoet. Dus als Van Offel al in het eerste hoofdstukje, dat zo mooi van taal begint, schrijft over de Gazastrook en de woestijn en Hebron, dan blader ik gauw door de zinnen heen op zoek naar de hoofdpersoon die mij misschien enig houvast in dit dorre gebied kan geven. En dan bedoel ik dor in de zin van: zo ver weg dat ik er geen enkele voorstelling bij heb. Ik ga op zoek naar het roltafeltje.
Dat komt snel, een vriendschapsverzoek via facebook van de moeder aan haar overleden zoon na zijn dood, en dat verzoek wordt geaccepteerd. Op zo’n moment vergeet ik Israël en wordt het verhaal universeel menselijk, zoals facebook universeel is en de gebruikers tot elkaar komen, soms zelfs nu de dood.
Wat er, zoals gezegd, daarna gebeurt: de vertelster gaat op pad om het verhaal van haar zoon Immanuel te zoeken, maar ze verschuilt zich soms achter de vreemde gebeurtenissen, personages en locatie van de vertelling.
Ze zegt niet: ‘Ik zocht zijn vriendin op.’
Een vriendin die zij als moeder niet eens kende, dus de vreemde ontmoeting spreekt voor zich. Lydia begint vanuit het niets aan het begin van een hoofdstuk ene Ofra te beschrijven. De woonkamer van Ofra, het licht in die kamer. Foto’s. ‘Ofra omringd door schattige Aziatische kinderen. Ofra op een olifant…’
Ik heb geen idee wie Ofra is. Dat bedoel ik met een verteller die zich verstopt.
Waarom vertelt Lydia niet wat ze gaat doen, maar geeft ze achter elkaar beelden, zelfs van mensen die de lezer niet kent? Dat is iets anders dan een ziekenhuis.
Op die momenten botsen schrijfster Van Offel met de vertelster van haar verhaal. Die laatste is ondergeschikt want Lydia praat in de mooie taal van Van Offel. Terwijl de zoektocht een soort dagboek is, beschrijvingen van de mensen die haar zoon kende. Plaatsen waar hij was.
Ook in dialogen heeft deze Lydia de neiging zich te verstoppen als vertelster.
‘IJs op?’
‘Nee hoor, gaat wel.’
Hier is geen verteller aan het woord die mij direct haar verhaal vertelt, dat is Van Offel die in een uitgebeende show, don’t tell laat zien wat Lydia allemaal meemaakt in dat verre vreemde land waar haar zoon omgekomen is.
Het beste is Van Offel op dreef als ze Lydia werkelijk aan het woord laat en haar de tijd geeft voor een beschouwing of analyse, want dat heeft een vertelster die op reis is. Alle tijd om na te denken. Als ze bijvoorbeeld een truc benoemt die haar uit haar lichaam doet stappen, iets wat soms werkte, en daarbij het bewustzijn: ‘Het was maar een trucje en het trucje is uitgewerkt.’ Dat is een mooie analyse. Bewust, vanuit zichzelf, relativerend.
Tijdens het lezen moest ik denken aan de toneelschool. Mijn ex bracht daar een jaartje door. Achttien of negentien jarige meisjes moesten Medea spelen, een vrouw die haar twee kinderen heeft verloren. Dat spelen is voor een meisje van die leeftijd erg moeilijk, want ze delen die ervaring niet.
Nu hoef je niet alles wat je in kunst omzet zelf meegemaakt te hebben, het is wel handig de lading van de gebeurtenis om te kunnen zetten in beelden die bij de toehoorder of lezer aan kunnen komen.
Actrices kunnen geen gebruik maken van de beeldende kracht van woorden waar Anneleen van Offel wel gebruik van maakt. In die zin voelt dit boek dubbel: een debutante die zich opscheept met de enorme lading van dit personage, dat is al gauw hoog gegrepen en tegelijk bewonderenswaardig, want Van Offel verschuilt zich wat dat betreft niet.
Lydia worstelt met de Pools-Joodse achtergrond van haar man, de vader van Immanuel, en met de mensen in Israël. Dat zit in kleine dingen: met Joodse kinderen in een speeltuin kun je maar beter niet spelen, ‘dat hebben ze niet graag’. Die afstand is voelbaar, een afstand die iedereen buiten Israël zal herkennen en voelen. Als Van Offel dat haar vertelster laat benoemen kom ik juist dichter bij die vrouw. Dan begrijp ik haar, en indirect begrijp ik Van Offel.
In een begeleidend mailtje dat ik kreeg over dit boek, van de uitgeverij, stond: ‘Een debuut dat zich afspeelt in Israël en dat níet over haarzelf gaat.’
Die nadruk op ‘níet’ geeft houvast en vertelt me het voornemen van de schrijfster om juist die afstand te gebruiken.
Na een bladzijde of vijftig schrijft Van Offel: ‘En zo verdwijnt hij weer in een leven waar ik niet bij kan.’
Dat is het leed van de vertelster, hoofdpersoon, moeder, maar ook de moeilijkheid van de roman, want de lezer krijgt het gevoel dat de tocht door Israël zinloos is: deze vrouw kan daar nooit dichtbij komen.
Lydia aan het bed bij haar overleden zoon was prachtig, schrijnend en aandoenlijk, als Lydia op onderzoek uit gaat komt er een component bij: de wens van de lezer om haar aan dat bed te houden en vanuit gedachten te vertellen.
De vertelster, en dat is misschien wel het lastigste van de romanopzet, heeft haar zoon verloren en komt om in haar verdriet. Tegelijk vertelt ze. Van Offel laat Lydia verzinken in haar leed, natuurlijk, de vrouw heeft geen andere optie, maar wil de lezer ook daarin verzinken? Ik lees en wil het verdriet voelen. Dat kan aan de hand van de beelden, zoals die in het ziekenhuis in Haifa. Een derde persoonsverteller met meer afstand tot het leed kan die beelden misschien beter oproepen dan de vrouw die het leed zelf draagt.
Dat gevoel bekroop me steeds tijdens het lezen, en ik denk dat Van Offel daar zeker over nagedacht heeft en voor deze vertelster heeft gekozen omdat de derde persoon ook zijn nadelen heeft. In ieder geval miste ik soms die beeldende afstandelijke verteller die onzichtbaar is, in tegenstelling tot de hoofdpersoon nu.
‘Kiezels snerpen onder de poten van zijn tuinstoel.’
Zintuiglijk mooi zinnetje – ik hoor het geluid, dat me evengoed door de schrijfster verteld kan worden. Zo’n zin heeft geen ik-verteller nodig.
Dit zijn allemaal kritische punten die alleen bij me opkomen omdat Hier is alles veilig een erg sterk debuut is maar dat door mijn persoonlijke afstand tot de locatie en sommige vertelkeuzes een negen en een half is, en net geen tien. Vergeleken met de boeken die een krappe voldoende scoren, die met stapels tegelijk verschijnen, heeft dit debuut als het over ambitie, techniek, daadkracht en sfeer gaat een enorme voorsprong.
Dus is het uitkijken naar het vervolg van Van Offels schrijverschap, en dat belooft veel moois.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen