In november 2011 zag ik tijdens het IDFA de documetaire Boxing Gym, van Frederick Wiseman. De beroemde regisseur was zelf aanwezig. Na ruim anderhalf uur beelden van een boksschool in Austin mocht het IDFA-publiek vragen stellen aan de regisseur. Een Nederlandse man leidde zijn vraag in met een betoog over sociale problematiek in Amerika en over boksen als metafoor voor die problematiek, en daarna vroeg hij Wiseman of hij wellicht daarom gekozen had voor een boksschool als spiegel van de Amerikaanse samenleving, om te laten zien dat mannen en vrouwen van alle rassen en leeftijden heel goed samen kunnen komen op één plek. Wiseman antwoordde: ‘No, I just like boxing.’

Natuurlijk kent Wiseman de impact en de sociale strekking van de bokssport. Echter, hij wil daar niet over praten, hij laat dat zien.

Bij de aanvang van de mooi uitgegeven bundel At the Fights, Americain writers on boxing, bekroop me hetzelfde gevoel als tijdens die vragenronde in Tuchinski. In de bundel zijn een kleine vijftig verhalen over boksen samengebracht en zowel in het voorwoord van Column McCann (een van mijn favoriete hedendaagse auteurs) als in de twee introducties die daarop volgen buitelen de metaforen en vergelijkingen over elkaar heen. McCann vergelijkt de boksring met een stuk papier, een stoot met het woord, de bewegingen van de boksers met het toetsenbord, het emmer van de verzorger met de prullenmand, het zweet van de vechters met het redigeren, en ga zo maar door. John Schulian stelt dat boksen de poëet kan losmaken in de schrijver die niet weet dat hij een poëet is. En voor George Kimball de bokssport duidt haalt hij een oudje uit de kast: ‘While one might play baseball, football, or basketball, nobody  “plays” boxing.’

Het zijn allemaal pogingen boksen en schrijven met elkaar te verbinden, maar beter dan deze vergezochte one-liners of cliché’s die het universum van boksen op papier moet vangen kun je de verhalen van de Amerikaanse auteurs lezen die de bundel werkelijk tot een beeldend en boeiend geheel maken.

Boksers hebben weinig woorden en de beste verhalen over boksen zijn ook zo geschreven: beeldend, sober, kernachtig. Woorden die te vergelijken zijn met een linkse hoek of een rechtse directe, zonder erbij te vermelden dat de dreun uitgedeeld wordt.

Natuurlijk ontbreekt een fragment uit Norman Mailers legendarische boek The fight niet. Ook James Baldwin en Richard Wright – twee belangrijke zwarte auteurs uit de vorige eeuw – prijken in het boek, naast een verhaal van Jack London over ‘The Great White Hope’: de blanke zwaargewicht James J. Jefries, die het honderd jaar geleden namens blank en racistisch Amerika opnam tegen de zwarte kampioen Jack Johnson, en verloor.

Grote kampioenen komen aan bod. David Remnick laat zien hoe Mike Tyson naar een gevecht toeleeft: als een monnik. Harde training en een problematische sociale achtergrond zorgen ervoor dat de afgetrainde monnik ieder moment uit kan basten in een ontembare woede. In het geval van Tyson gebeurde dat regelmatig, in en buiten de ring. Ook Remnick’s vergelijking van een bokser met een monnik is niet zo sterk, zijn portret van Tyson is dat wel.

Schrijven over boksen zonder vergelijking, het kan. Dat laat bijvoorbeeld Gene Tunney zien. Tunney was zelf bokser. In het verslag van zijn partij tegen Jack Dempsey vertelt hij uitgebreid over de knockout waar hij tegenaan liep en over de seconden daarna, het tellen, het terugwinnen van zijn bewustzijn, het herpakken en weer afhaken, en de vraag na het verlies: ‘Could I have got up and carried on?’

Tunney worstelt er nog steeds mee. Die eenvoudige vraag geeft een prima inkijkje in het hoofd van een bokser, vooral omdat hij niet aan mooischrijverij doet en de sport zelf het verhaal laat vertellen. Een klap en het vervolg, het is allemaal zo primair.

Heel sterk is het verhaal over Dick Tiger (goeie naam!), een Nigeriaanse bokser die in Amerika door zijn manager voorgesteld wordt aan auteur Robert Lipsyte: ‘Nigerian fighters are very good, very tough. They’re closer to the jungle.’ Over de schouder van de manager zegt Tiger: ‘There is no jungle in Nigeria.’

Het is een anekdote die eigenlijk in een tijdschrift thuishoort, maar dit soort anekdotes kleven aan iedere bokser. Het zijn de verhalen die de levens van de boksers maken, en een forse hoeveelheid verhalen is opgenomen in At the fights.

Bij het doorbladeren van de inhoudsopgave viel me een naam in het bijzonder op: Lucia Rijker, de Amsterdamse die al haar profpartijen won en die in Clint Eastwoods Million Dollar Baby acteerde. Katharine Dunn portretteert Rijker als een serieuze en zelfbewuste vrouw die haar positie kent. Ze moest niet alleen in de ring vechten, maar een vrouw en halfbloed moest ze zich staande zien te houden in een mannenwereld. Dat knokken maakte haar sterk, als bokser en als mens.

Van Muhammad Ali-biograaf Thomas Hauser is een hard-boiled verhaal te lezen over bokspromotor Don King en Mike Jones, de manager van kampioen Billy Costello. Als een deal met Don King niet gesloten kan worden en er geen partij komt is Costello teleurgesteld.

Jones zegt tegen hem: ‘You’re still champ.’

Costello antwoordt: ‘It don’t feel like that.’

Boksen is een gevoel, en voor schrijvers die menen dat de kern van schrijven ook in gevoel zit – meer dan in gedachten of ideeën– is At the fights een rijke bundel boksverhalen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen