Een maandje terug had ik het over Show, don’t tell, een ingewikkeld maar interessant verteladagium, dat prima te verklaren is aan de hand van Achter gesloten deuren, de succesvolle (‘meer dan 2 miljoen lezers’ verklapt een glimmende rode sticker op mijn exemplaar) thriller van B.A. Paris. Waar die voorletters voor staan weet ik niet, de schrijfster heet Bernadette MacDougall. Steeds bij het zien van het omslag had ik in een flits oude afleveringen van The A team in mijn hoofd. ‘You fool!’

Verteller Grace, van het perfecte stel Jack en Grace waar het boek om draait, heeft er een handje van alles te benoemen wat ze ziet, en dat net even dik aan te zetten of te verklaren, net even een woordje toe te voegen of extra sjeu te geven aan haar verhaal.

Zo schrikt ze in de allereerste zin al op. Daarna: ‘Ik kijk vluchtig naar Jack en hoop dat hij niet heeft opgemerkt hoe nerveus ik ben.’ Schrikken, vluchtig kijken, hopen dat een ander niet ziet dat je nerveus bent, en ondertussen dat allemaal vertellen.

Als Rufus, een van de gasten, op de eerste pagina iets zegt, dan zegt hij dat ‘bewonderend’. Na die eerste hoop dat Jack niet merkt hoe nerveus ze is volgt op dezelfde bladzijde: ‘…dus ik tover een lach op mijn gezicht en hoop vurig dat ik bij hen in de smaak val.’ Er is een Esther op bezoek, die ‘haar intrigeert’. Rufus zegt iets over een schilderij ‘met een gefascineerde blik.’ Adam, een andere gast, zegt iets wat door Grace wordt verteld als: ‘grapt Adam’. Zelf zegt ze iets ‘instemmend’, Diane ‘slaakt een kreetje van genoegen wanneer Jack de champagne in hoge glazen schenkt’, Grace ‘sputtert tegen’, waarop Jack ‘meelevend haar kant opkijkt’. Daarna zegt ze iets ‘verontschuldigend’, en verder hebben ze gesprekken die neerkomen op: ‘Heb je zin om mee te gaan – Dat lijkt me leuk.’

Nu hou ik erg van spreektaal, dus een gesprek dat bestaat uit ‘Heb je zin om mee te gaan – Dat lijkt me leuk,’ is een prima gesprek, het is kort en duidelijk en menselijk, maar bij het lezen van de eerste pagina’s van Achter gesloten deuren krijg ik het gevoel dat de schrijfster dit eerder gebruikt om een ongedwongen leuk sfeertje neer te zetten, dat straks vanzelfsprekend doorbroken zal worden. Het is nu eenmaal een thriller.

Gezelligheid, een beetje gekeuvel, een knap gezelschap, deze thriller opent met een stel dat perfect oogt (ook dat wordt door Grace herhaaldelijk benoemd), maar waar van alles mee aan de hand is. Dit stel gaat hoogstwaarschijnlijk nog flink wat te verduren krijgen, maar waarom B.A. Paris heeft gekozen voor een ik-vertelster die tijdens het vertellen zo opgefokt bezig is met wat ze zelf voelt, wat anderen zeggen en hoe anderen zich gedragen is me een raadsel.

‘Terwijl ik het mengsel in afzonderlijke schaaltjes schep, kijk ik gespannen op de klok. Dat zet ik de schaaltjes in een bain-marie. die ik in de oven schuif; ik let goed op de precieze tijd. Even gaat er een golf van paniek door me heen bij het idee dat ik het misschien niet allemaal voor elkaar krijg, maar ik herinner mezelf eraan dat angst mijn grootste vijand is, dus ik doe mijn best kalm te blijven en keer terug naar de woonkamer…’

Stress. Deze vrouw is stress. Ze weet het, ze voelt het. Maar tegelijk vertelt ze. Het is overbewust. Een golf van paniek voelen, en dat vertellen, en toetjes maken. Multitasken in een thriller. Natuurlijk wil B.A. Paris de lezer laten weten dat Grace gestrest is. Ik wil Grace best begrijpen, die vertelkeuze kan ik niet begrijpen.

Het perfecte plaatje, dat wil Grace laten zien, dat moet ze laten zien, maar dat is iets anders dan het laten zien van Show, don’t tell. Waarom vertelt deze vrouw op een toon die ik vooral ken van damesbladen, waarin niks mag wrijven of schuren, waar de foto’s perfectie laten zien en de teksten gaan over neurose?

Een personage kan zo zijn, een verteller die zo is én tegelijk vertelt is niet de verteller die mij aan een boek gekluisterd houdt. Het is Keeping up appearences, maar niet op de manier van de leuke tv-serie die juist spot met het ophouden van hoe je overkomt. Het is glimlachen, opzitten, angst onderdrukken, hopen dat je beantwoordt aan de eisen van… Jack? Van de anderen? Van de maatschappij?

En dat alles vertelt Grace met een minimum aan vertrouwen in de toehoorder. Deze Grace veronderstelt dat ze alles dubbel en dwars moet duiden, want anders begrijpt de lezer haar misschien niet. Nu is ze geen kernfysica aan het uitleggen, ze vertelt gewoon over een borrel, en nog is het in iedere zin: tell. Grace vertrouwt het show niet. Een schoolvoorbeeld van een schrijver die een hyperverteller opvoert, en die je iedere alinea wilt toefluisteren: Zeg, B.A., Show, don’t tell, wel eens van gehoord?

Diane slaakte een kreetje van genoegen, meldde ik al, en dan bekruipt me direct de angst: dat gaan we vaker horen. Twee bladzijden verder: ‘… en ik slaak een stille zucht van opluchting.’ Weer twee bladzijden verder: ‘… slaak ik een zucht van opluchting.’

Het blijft fascinerend; als een schrijver eenmaal begint op deze toon, of eigenlijk: als je een personage zo laat praten, dan kun je bijna niet anders dan in herhaling vallen. Synoniemen voor ‘een zucht van opluchting slaken’ zijn er niet. Dat slaken van zuchten gaat volop door, net als het eindeloos angstige voelen.

Als ze proosten en Grace een slokje champagne neemt, vertelt ze: ‘De bubbels dansen in mijn mond en ik ervaar een plotseling gevoel van vreugde, dat ik probeer vast te houden. Maar het verdwijnt net zo snel als het kwam.’

Arme vrouw, denk ik dan. Ik zou haar direct een tweede slok champagne gunnen, dan dansen de bubbels weer in haar mond en voelt ze weer die vreugde, maar daar komt ze niet aan toe. Ze is alweer bij haar man ‘die geanimeerd met Rufus staat te praten.’

Deze verteller is zo gericht op anderen dat ze vergeet hoe bewust ze met alles en iedereen bezig is, ook met haar eigen gezichtsuitdrukking en gevoel in haar lijf. Dat is de toon van deze thriller: de stress die deze vrouw constant voelt is herkenbaar. Voor lezers. Voor vrouwen. Dat zit erachter: een ouderwets soort lijdzaamheid, die Grace gaat overwinnen, maar niet nadat ze de eerste hoofdstukken als een hondje achter Jack aangehobbeld heeft.

Dit proza roept bij lezers op: O ja, dat heb ik ook altijd. O ja, die dingen in de oven zijn zo moeilijk. O ja, mijn man is ook wel knap, maar hij eist ook wel veel.

Een sprookje waarin de prins op het witte paard, hij is nog knapper dan George Clooney, een vervelend mannetje blijkt te zijn. De grootste angst van de moderne vrouw: dat jouw man, ook al is hij geen George Clooney, een manipulator blijkt te zijn. Passief feminisme. Dromen van vrijheid, maar vasthouden aan je eigen keurslijf.

Grace laat zich haar vlotte baan ontnemen want anders komt Jack na een dag werken thuis en is er niemand. Niemand verbaast zich over die keuze. Je kunt ervoor kiezen zo’n personage op te voeren, maar buiten dat vertelt ze als een hork. Aan de andere kant pakt ze wel miljoenen lezers in, want die staan ook vaak op het punt een oprechte zucht te slaken, van herkenning. Is dat het?

Het mag duidelijk zijn: ik lees deze thriller om deze mechanismen door te krijgen.

Er staat wel een mooie scène in het eerste hoofdstuk: een van de kibbelende gasten oordeelt te snel over het zusje van Grace die danst in het park. Dat kan echt niet! Het zusje blijkt het syndroom van Down te hebben. Mooi. Dan voel ik dat er werkelijk iets tussen de personages speelt.

De verteltechnieken na die scène blijven vertellen, duiden, uitleggen, maar nu veelal in lange dialoogzinnen die door Grace allemaal letterlijk herhaald worden. Pagina’s lang worden de uitgesproken zinnen van de personages door Grace netjes opgelepeld – dat is wel een verhaal, maar geen ik-vertelling. Je zou bijna vergeten dat zij de verteller is.

Ik moet echt moeite doen om de verteltrant naast me neer te leggen en verder te lezen, en dat probeer ik te doen in het volgende hoofdstukje dat als tijdsaanduiding ‘verleden’ heeft. Het eerste heet ‘heden’, die twee wisselen elkaar af, en omdat deze hoofdstuktitels steeds in dikke hoofdletters op een aparte pagina staan, een rechterpagina, en het verhaal vervolgens op de volgende rechterpagina verdergaat bevat de thriller zeker zeventig lege pagina’s.

Op zich logisch; thrillers zijn meestal omvangrijk, vaak zo’n 350 tot 450 pagina’s. De thrillerlezer moet niet alleen de spanning uitgesponnen hebben in iedere zin, het boek moet ook gewichtig voelen. Een baksteen van papier. Bij dit boek is dat dus op deze manier gehaald.

En dan lees ik in ‘verleden’ vreemd genoeg precies dezelfde scène als in het heden, maar dan in de verleden tijd. Dat is geen experimentele opzet, het is gewoon een herhaling. Grace blikt terug, dus het tempo ligt wat hoger, maar de eerste ontmoeting met Jack, en de zorg die Grace voor haar zusje heeft komen allemaal weer aan bod, alleen zonder het glimlachen, opzitten en het slaken van zuchten.

Dit stuk over Achter gesloten deuren zou ook kunnen heten: Waarom ik soms afhaak als lezer. Ik wil wel weten hoe het in elkaar zit met deze mensen, dan ben ik van dit boek af. Bladerend ga ik op zoek. Op iedere pagina dezelfde vreemde vertelkeuzes, de opgeklopte spanning, het schrikkerige hertje dat vertelt, veel verwoed knikken, lief glimlachen, beduusd opkijken, met tegenzin iets zeggen, en uiteindelijk een clou die ik op Goodreads vind en die te maken heeft met zusje Millie en de kleur van haar kamer, en die door honderdduizenden, voornamelijk vrouwelijke lezers wordt getypeerd als: Briljant!

Er is sinds begin dit jaar een collectief onder de naam Fix dit, dat ‘meer diversiteit in de canon en het literaire veld’ wil krijgen. Een zeer goed streven, dat ik steun. Er zijn talloze vrouwelijke schrijvers die een plaatsje tussen de grote mannennamen in de literatuur verdienen, maar nooit genoemd worden. Vrouwen aan de top!

Aan de andere kant verbaas ik me over thrillers als Achter gesloten deuren, weliswaar geen literatuur, maar wel verkocht als literaire thriller, die vrijwel altijd door een vrouw geschreven zijn, omdat als een man dit zou schrijven het nooit uitgegeven zou worden.

Aan die onderkant van het boekensegment valt nog veel te winnen. Ik begrijp dat er een markt is voor lekker leesbare (als een trein) thrillers, dat sommige lezers helemaal niet op ingewikkelde vertelstructuren zitten te wachten, maar een in zichzelf gekeerd wereldje van vrouwelijke schrijvers en lezers, gestoeld op tuttigheid en herkenbaarheid, bestaat nog steeds, bereikt een enorm publiek, en wordt door dat miljoenenpubliek gezien als hun veilige canon. Uitgevers, doorbreek dat!

Jan van Mersbergen