Opeens wist ik waarom ik Jordanese muziek altijd wel leuk vind klinken, maar er ook moeite mee heb: het perspectief.

Nu draait alle tekst om het vertelperspectief, maar bij Jordanese muziek had ik daar nog nooit over nagedacht. En die donderdagmiddag hoorde ik ergens in mijn hoofd ‘Bij ons in de Jordaan,’ en ik dacht: bij jullie ja. Dat is dus niet bij mij. Het zijn verhaaltjes over eigen kring, maar als je daar niet bij hoort gaan de verhaaltjes over afstand.

Als er bezongen wordt dat de bloemen voor de ramen staan, dan gaat dat over de eigen buurt, en vrijwel ieder liedje is zo verteld. Nu weet ik, leuke buurt, maar dat bezingen van alleen de eigen buurt brengt ook met zich mee dat het zingen ophoudt waar de buurt ophoudt.

inmiddels is de Jordaan een beetje opgeknapt, zijn de ouwe huurkrotten dure koophuizen geworden. De echte Jordanezen wonen inmiddels veelal in Purmerend en Almere. En ik weet: de arme Jordanezen van vroeger hadden geen geld om te reizen, maar een beetje om je heen kijken hoeft helemaal niet verkeerd te zijn.

Zo stond het Rijksmuseum er ook al in de tijd van de meeste Jordanese muziek, maar ik hoor ze er nooit over zingen. Het is een paar haltes met de tram, vijf minuten fietsen, en zelfs lopend kon je de onderdoorgang vinden, en over het Museumplein wandelen. Dus ik vraag me af: deden de Jordanezen dat niet, of zongen ze er alleen niet over?

Nu hadden ze in de Jordaan natuurlijk al helemaal geen geld om nog verder te reizen, dus ik vind het niet gek dat ze zelden over andere landen zingen – ik zou dat wel mooi vinden. De wereld vanuit je eigen buurt wat groter maken. Daarvoor hoef je helemaal niet weg, je kunt ook dromen van New York, en daar over zingen. Of Parijs, zonder er ooit te zijn geweest wordt die stad direct afgeschoten met: ‘Geef mij maar Amsterdam, dat is mooier dan Parijs.’ En dus zingen ze liedjes over de Westertoren en niet over de Eiffeltoren.

Zolang de lepel in de brijpot staat. Die bak met pap stond vast wel ergens, maar zingen over mosselen kan toch ook? Die kun je aan de grachten niet zo goed plukken, maar ze zijn er wel, in Zeeland.

Dat naar binnen gekeerde, dat ophemelen van alleen je eigen plek, dat voelde opeens niet meer als oogkleppen, dat voelde als een blinddoek.

Als er pruimen in de pap zitten, iets wat overal kan gebeuren, dan zingt Johnny Jordaan voor de zekerheid wel: ‘Mevrouw van Dalen woont heel dicht bij mij.’ Want het mag niet over een mevrouw uit Groningen gaan.

‘Oh Johnny zing een liedje voor mij alleen,’ is zo typerend. Johnny, ‘onze Johnny’, kon mooi zingen, maar wel voor haar alleen.

Nu ken ik Amsterdammers, en voor de meeste geldt dat bij Diemen de wereld al zo’n beetje ophoudt. De Arena ligt het verst van de eigen wieg vandaan, en de andere kant op ligt ergens het strand. Toch, al wonen Amsterdammers door de hele stad, van Nieuw West tot Oost, ze zingen over de ene vierkante kilometer ten westen van de Prinsengracht.

Ik weet dat muziek de saamhorigheid versterkte, dat door de armoede de schoonheid van de eigen buurt meer opgerakeld wordt dan in de Apollobuurt. Het perspectief voelt wat eenzijdig, zelfs zo dat wanneer Johnny en Rijk over het Waterlooplein zingen ik het idee krijg dat ze verdwaald zijn. Hetzelfde geldt voor het liedje over de giraffen in Artis, want dat is door het hele jaar te duur, zo zingen ze: ‘In september moet je voor een heitje in onze Amsterdamse Artis zijn.’ Het gaat over de dierentuin, maar het gaat nog veel meer over de eigen armoede.

Hypothese komen wel voor in de liedjes: ‘Als de Jordaan met zijn oude Westertoren in Antwerpen zou staan, dan was ik als Belg geboren.’ Ik krijg niet de indruk dat een kijkje in Antwerpen de moeite waard is.

Ook drankjes van vreemde bodem worden niet gewaardeerd. Inmiddels schenken de kroegen in de Jordaan niet veel jenever meer, in het liedje van het pikketanissie gaat het van: ‘Ik heb geen trek in zo’n Franse pernod, dat witte spul dat krijg je van mij cadeau. Maar ook die Deense aquavit, die drink ik van mijn leven niet. In plaats van Wodka of aan de gin, een pikketanissie dat gaat er altijd in.’

De glimlach van een kind is opeens een universele wereldse tekst. Aan de Amsterdamse grachten voelt als een lied voor kakkers in hun grachtenpanden.

Een liedje zet dit verhaal wel aardig neer, want boven al bevalt me de geslotenheid van deze liedjes samen met de openheid van de mensen heel goed. Het ophemelen van deze buurt is een trots die verder in Nederland zeldzaam is, en dat is precies hetgeen zo veel liedjes oplevert.

‘Ze mogen van me zeggen wat ze willen, de Jordanezen die zijn een volk met flair. Wij hebben wel ons eigen taaltje, maar Jordanezen zijn niet ordinair.’

Een eigen taal, en flair. Dat is het toch! Op een of andere manier heb ik zin in een avondje kroeglopen in de Jordaan. Liefst kroegjes waar ze gekookte eitjes op de bar hebben staan. Met zout. Mag dat alweer?

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen