Een bokser rent door de stad. Hij rent door een straat waarlangs aan beide zijden hoge huizen staan. Hij schiet tussen geparkeerde auto’s door, steekt een kruispunt schuin over, neemt een fietspad, gaat een brug over, met de trambaan mee de bocht door, en iedere passant zal denken dat hij aan het trainen is, maar hij loopt harder dan normaal, zijn ademhaling is ongecontroleerd en zijn ogen zijn groot.
Zonder geluid te maken vliegen zijn hoge veterschoenen over de trottoirtegels, en in zijn hoofd herklinken flarden van zinnen, begeleid door een bel. Losse woorden resoneren hol tussen zijn trommelvliezen. Het zijn de stemmen van omstanders die hij hoort, brommende geluiden, vervormd, ver weg. En dan opeens duidelijk.
Stop.
Hij stoot.
Hou op.
Hij stoot nogmaals en weer hoort hij een bel, feller en luider dan eerst. Stop, schreeuwt iemand. Hij voelt een hand op zijn schouder en met zijn elleboog weert hij af. Met zijn linker plaatst hij een hoek, raakt de man vol in zijn gezicht, keert zich weer naar zijn tegenstander.
Ophouwen, klinkt het weer. Maar hij slaat nog een keer, en nog een keer, en nog een keer.
Hij steekt een drukke brede straat over en rent verder, een park in. Hij komt langs een klein veldje waar in het midden een bronzen beeld staat, een vrouw die een kind in de lucht houdt. Alsof ze het kind aan de wolken wil toevertrouwen.
Hij houdt in en kijkt hijgend naar het beeld. Dan gaat hij op een bankje zitten. De struiken en bomen staan bewegingloos tussen hem en de straat met de trambaan. Grijze wolken glijden achter de bomen langs. Geen vogels, zelfs geen duiven.
Hij voelt fijne regenspetters tegen zijn gezicht. De bladeren aan de bomen bewegen nu zachtjes in de wind. Aan de andere zijde van het park staat een man onder de luifel van de sigarenzaak op de hoek. Hij draagt een spijkerjas en kijkt zijn richting uit. Een andere man komt de winkel uit, steekt een sigaret op en praat tegen de man in de spijkerjas. Die geeft antwoord, zonder zijn ogen van hem af te wenden. De rook lost op in de lucht. Hij kijkt naar zijn bovenbenen en naar het hout van de bank dat langzaam donker kleurt van de regen.
Hij hoort voetstappen in het grind. Even lijkt hij te berusten. Hij wacht tot een donkere stem iets tegen hem zegt, zijn naam noemt, hem vastpint op de bank. Maar op een toon die hij niet verwacht hoort hij: Jij bent toch Danny Clare?
De man in de spijkerjas staat voor hem. Hij zet zijn kraag op. De rokende man staat er schuin achter. Zonder uitdrukking op zijn gezicht kijkt hij de mannen aan.
Dat ben jij toch? Die bokser?
Danny staat op van de bank.
We hebben je gezien, zegt de man in de spijkerjas. Hij frunnikt weer aan de kraag van zijn jas. Probeert zijn nek tegen de regen te beschermen.
Tegen die grote blonde. Die Hongaar.
Bulgaar, verbetert de ander hem.
Danny reageert niet. Hij vouwt zijn handen in elkaar.
Dat was een goeie partij.
De sigaret valt op het natte grind en de man zet zijn schoen erop. Beide mannen glimlachen naar hem. De man in de spijkerjas zegt weer iets, maar zijn stem vervaagt en Danny kijkt naar de peuk die nog altijd zacht smeult en daarna kijkt hij naar zijn schoenen. Weer herklinken woorden uit het gesprek met Pavel in de boksschool, is daar weer de klik in zijn hoofd toen alles samenviel, en de klik daarna toen alles om hem heen in stukken viel en het zwart werd voor zijn ogen.
Ik weet niet waar jullie het over hebben, zegt hij en hij beent naar de uitgang van het park, laat de mannen en het beeld achter zich. Hij gaat het hek door, steekt de trambaan over en gaat langs de bakstenen muur de hoek om tot hij bij een grote weg komt waarover twee banen auto’s de stad verlaten. Die weg volgt hij. De regen strijkt langs zijn gezicht. Hij loopt langs een supermarkt waar een donkere jongen een rij winkelwagentjes naar binnen duwt. Hij gaat onder een viaduct door dat gedragen wordt door zware metalen balken waar druppels regenwater aan hangen. De posters aan de muur worden vaag weerspiegeld in het water dat van de muur naar de goot loopt. Bij een grote rotonde blijft hij staan, onder de beschutting van een boom. Rechts van hem ligt een spoorlijn, hoog boven de straat, en iets voorbij de rotonde ziet hij het station. Een lange trein rijdt het station binnen. De wielen piepen op de spoorbrug. Hij steekt zijn handen in zijn broekzakken. Zijn sleutelbos, het beetje kleingeld dat hij op zak had, zijn telefoontje, alles hangt nog in de kleedkamer van de boksschool.
Het verkeer draait om de rotonde, verspreidt zich over de wegen van en naar de stad. Hij kiest de weg die naar de autoweg leidt. Hij steekt over, loopt een stukje door het lange hoge gras in het midden van de rotonde, wacht aan de andere kant tot het verkeer een moment rustig is, steekt voor de tweede keer over, gaat langs de kant van de weg staan en steekt zijn duim op. Niet veel later stopt er een auto. Er zit een oude man achter het stuur. Ik ga een stukje de snelweg op, zegt hij.
Hij knikt en stapt in.
Bij het tankstation kun je er wel uit. Dan kun je gemakkelijk verder liften.
De man geeft voorzichtig gas, gaat een paar bochten door en neemt de snelweg. Uit de radio klinkt onafgebroken klassieke muziek. De stem van de zanger komt amper boven het geluid van de motor uit, toch is zijn stem doordringend. Als hij naar de radio kijkt draait de man aan de knop en klinkt de muziek harder. De stem werkt hem op zijn zenuwen. Een paar zwijgzame minuten later neemt de man de afslag van het tankstation. Bij de pomp bedankt hij de oude man en stapt hij uit, de benzinelucht in.
Graag gedaan, zegt de man.
Hij gooit het portier dicht.

*

Iets voorbij de overkapping van het tankstation gaat hij in de berm staan. Het regent harder nu. Zijn haar plakt aan zijn voorhoofd, zijn shirt plakt aan zijn brede borst. Aan de andere kant van de vangrail razen auto┬┤s als gekleurde vlekken voorbij in de richting die hij op wil. Bij iedere auto die met een volle tank de snelweg weer opzoekt steekt hij zijn duim omhoog. Weinig overtuigend, zonder de bestuurders aan te kijken.
Dan nadert een grote stationwagen. Een familieauto. Automatisch schenkt hij zijn duim op en als de auto stopt duurt het even voor hij beseft dat hij naar het geopende portier kan lopen en dat hij kan vragen wat hij vragen moet. Bij de auto aangekomen bukt hij zich, niet ver genoeg, zijn ogen blijven voor de bestuurder verborgen boven het dak van de auto.
Waar moet je naartoe? Een haastige stem.
Hij gaat rechtop staan en kijkt achterom. De regen tikt op het dak, de ruitenwissers piepen. Hij laat zijn gezicht zien, en zegt tegen de bestuurder: Ik moet die kant op.
Hij wijst de snelweg af, en op dat moment wakkert de wind aan, de regen stuitert op de motorkap en de man zegt dat hij mee kan. Dat hij vooral niet in de regen moet blijven staan.
Onder de overkapping van het tankstation door ziet hij de silhouetten van de gebouwen in de verte bij elkaar staan, waar de auto’s vandaan komen, waar hij vandaan gekomen is. Een paar kantoortorens boven een gekartelde horizon. Even komt het in hem op dat beeld gedag te zeggen, maar dat beeld zegt hem niets. Hij kijkt naar de contouren van de stad, stapt in en trekt het portier dicht. Op de vloer van de auto ziet hij stukjes papier liggen, wikkels van snoep. Een plasticflesje zonder dop. Als de auto de invoegstrook oprijdt, een andere auto laat passeren en de rechterbaan neemt vraagt hij of het niet erg is dat hij de bekleding nat maakt.
Je mag blij zijn dat je droog zit, zegt de bestuurder en even kijkt hij hem aan. De ogen van de man knipperen, een tik. Hij beantwoordt de blik, probeert te glimlachen.
De man is ouder dan hij. Halverwege de veertig misschien. Ook is hij een stuk kleiner, zijn schouders zijn smal en zijn armen zijn onbehaard en bleek en dun. Hij draagt een witte broek en daarboven een wit shirt met een polokraag. In zijn oor een gouden ring. De man heeft een buikje.
Stond je daar al lang?
Hij weet het niet. Het kan een paar minuten zijn, het kan een kwartier zijn. Het lijkt een eeuwigheid. Tussen de snelheidmeter en een andere cirkel met een wijzer erin ontdekt hij een digitale klok. Niet zo lang, zegt hij en de knipperende dubbele punt tussen de cijfers knippert en hij beseft dat deze man hem vragen stelt zonder dat het antwoord er toe doet. De cijfers van het klokje verspringen. Hij blijft ernaar staren tot ze nogmaals verspringen. Dan valt zijn blik op een lijstje dat op het dashboard geplakt is. Er zit een foto in. Er staat een vrouw op met lang steil haar. Voor haar staan twee kinderen, een jongen en een meisje. De hand van de vrouw ligt op de schouder van het meisje.
Hij draait zijn gezicht naar het raampje en Ragna verschijnt in zijn gedachten en hij vloekt en spreekt haar naam uit en zijn adem doet de ruit beslaan. Het is alsof ze op de achterbank zit en hij haar iets toefluistert.
De auto rijdt onder een viaduct door en even is de ruit donker en in de spiegeling ziet hij zichzelf. Ze kijken elkaar aan, hij en zijn spiegelbeeld. Zijn ogen zijn hard en vreemd en leeg. Dan wendt hij zijn hoofd af en als de auto het grijze licht weer inrijdt staart hij naar de motorkap, naar de witte streep die voor de auto uitloopt en trillend koers probeert te houden. Die zijn gedachten wegkrast.
Ze halen een vrachtwagen in. Om de grote wielen hangen cirkels van spetterend regenwater. De leren klomp van de chauffeur ligt tegen het raampje, zijn knie steekt omhoog. Hij heeft een sjekkie in zijn hand. De chauffeur kijkt naar hem. Naar zijn natte kleren, zijn haren. Zijn gezicht. Als ze de vrachtwagen voorbij zijn ziet hij hem in de zijspiegel kleiner worden, en als de vrachtwagen helemaal verdwenen is leunt hij iets naar het raam en rilt hij.
Moet je een handdoek?
Het droogt wel.
In die tas achter je zit er wel een.
Op de achterbank liggen een paar plastic tassen, een sporttas en een rugzakje. Een grote rode tas van de supermarkt ligt op zijn kant. Hij ziet een volkorenbrood, een pak koekjes, een fles bronwater. In die groene, zegt de man, en de lifter trekt de sporttas naar zich toe, ritst hem open en haalt er een handdoek uit. Hij droogt zijn haren, drukt zijn gezicht in de handdoek. Hij ruikt wasverzachter. Dan hangt hij de handdoek over de rugleuning van de stoel en gaat ertegenaan zitten.
De bestuurder vraagt: Beter zo?
Hij zit niet lekker. Toch knikt hij.
Doe je de gordel om?
Wat?
Wil je de gordel even om doen?
Danny trekt aan de riem en klikt hem vast. Zijn koude shirt wordt tegen zijn lijf gedrukt. Onderin zijn rug prikt iets. Iets hards, iets puntigs. Hij verroert zich niet. De snelweg is breed, drie banen en een vluchtstrook. Ze rijden op de middelste baan en blijven daar een tijdje rijden. Af en toe kijkt de bestuurder opzij.
Ik neem vaak lifters mee.
Danny zwijgt.
Er zijn niet veel mensen meer die dat doen, maar ik wel. De bestuurder kucht. Uit nieuwsgierigheid.
Nieuwsgierigheid?
Ja. Naar wat ze te vertellen hebben.
Hij kijkt de bestuurder aan. Die zegt: Het maakt niet uit of ze lang of kort in de auto zitten, ze vertellen me allemaal iets. Over hun werk. Over thuis, over hun relaties, huisdieren. Van alles. Over de dingen waar ze mee te maken hebben. En vaak zijn dat niet de prettigste dingen. Ik bedoel, om naar te luisteren.
Misschien vertel ik wel niks.
De man knippert met zijn ogen en glimlacht.

Jan van Mersbergen