Carnaval is de som van de verhalen. De verhalen zijn de mensen. Carnaval schuilt in de harten van de mensen.
Vraag het de mensen en ze zullen zeggen: ‘Carnaval, dat kun je niet omschrijven.’
Ze vergeten de taak van de schrijver, en dat is: die verhalen uit hun ziel peuteren en oppoetsen en laten glanzen.
Mensen is het trouwens meervoud van mens. Mensen betekent: samen.
Een stukje schaatsen kun je alleen doen, een boek schrijven kun je het echt beste alleen doen, carnavallen kun je niet alleen. Woord met elf letters trouwens: carnavallen.
In het schitterende klassieke lied Van Eijsden tot de Mokerhei, goed mee te zingen, geeft de zin

En erm in erm trek eeder met
want geine steit allein

precies aan wat Vastelaovend is. Iedereen staat samen.
De vader van Karin Vermeulen (dank voor het opsturen van jouw verhaal) is zesentachtig. Als Carnaval Oss weer voor drie dagen overgenomen heeft pakt hij op de dag van de optocht de trein in Oss West om drie minuten naar Oss Centraal te rijden en daar de versierde wagens te kijken. Het hele eind lopen is te ver. Zijn vrouw blijft thuis. Ze kan de harde muziek niet meer aan, maar kijkt de carnavalsoptocht op de televisie via de plaatselijke omroep. Ook thuis voor de televisie draagt ze haar kiel en heeft ze een hoedje op.
De vader van Karin gaat niet naar het Carnaval, hij brengt het feest een stukje op gang, al is het maar van het ene station naar het andere. Carnaval zit naast de moeder van Karin op de bank op de dag van de optocht. Sterker nog: ik weet dat deze mensen op die dag samen zijn in hun beleving van het feest, ook al zijn ze voor even van elkaar verwijderd.
Carnaval is dat bindmiddel.
Misschien is dat wel de kern van dit volksfeest: samen zijn, zonder bij elkaar te zijn.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen