Amerikaanse boeken uit de plattelandsgebieden zijn al jaren mijn favoriete subgenre in de literatuur. De boeken van schrijvers uit deze streken, die verhalen vertellen uit deze streken, zijn zonder uitzondering sober en helder geschreven, goed invoelbaar, poëtisch, vol historisch besef en veel minder pocherig en expliciet dan de boeken uit de steden, van schrijvers uit de steden, die net iets te vaak het slimste jongetje van de klas willen zijn, of het slimste meisje.
Faulkner, Hemingway, Steinbeck, McCarthy, Proulx, Swarthout en recenter Vlautin, Vann, Canty, Pollock, Harding, Henderson, Meyer… de groeiende lijst van indrukwekkende Amerikaanse plattelandsliteratuur lijkt amper nog aangevuld te kunnen worden, en dan verschijnt zeer recent de kleine roman West van Carys Davies, en dan noteer ik al na dertig pagina’s haar naam onderaan dat lijstje, ook al is ze afkomstig uit Wales en woont ze tegenwoordig in Edinburgh.
West telt slechts honderdveertig pagina’s tekst maar beslaat het halve Amerikaanse continent. Een man heeft in een krantenbericht gelezen dat er kolossale botten zijn ontdekt in Kentucky. Dinosauriërs, waarschijnlijk. Mammoets. Het verhaal speelt in de negentiende eeuw, volgens mij was er over dat type uitgestorven dieren toen nog weinig bekend. John Cyrus Bellman is in ieder geval door het gegeven gegrepen: hij wil die botten met eigen ogen zien en plant een reis van Pennsylvania naar het westen. Kou, wildernis en Indianen komen op zijn pad.
De dochter van Bellman blijft achter bij haar mopperende tante. Zij probeert te bedenken wat haar vader allemaal meemaakt. Ze wil informatie inwinnen, in de bibliotheek, zodat ze een beter beeld heeft van wat haar vader gaat zien.
Deze twee personages die om beurten gevolgd worden, lijken geen stereotypen Amerikaanse plattelanders, minder bot en gruwelijk dan soms in de verhalen, maar ze kunnen een beetje lezen en schrijven, volgen een droom, zijn avontuurlijk, en erg slim en vriendelijk, en daardoor zijn het misschien juist wel typische pioniers. Ze gaan.
Nog een overeenkomst van dit type proza: het is vrijwel allemaal in de derde persoon vertelden tijd verteld. Als een ouwe film. Dat doet Davies ook. Ze laat zien wat er gebeurt, wat de mensen zeggen, ze kleur binnen de lijntjes. Maar wel erg goed. Een verhaal, goed verteld, kort, duidelijk, dat is voldoende.
Het interessantste personage is Oude Vrouw In de Verte. De bijzondere naam doet al vermoeden: een indiaan. Een native. Het is een stem die eindelijk terugkeert, ook in romans. Een stem die lang niet gehoord is, een interessante stem. De jongen wordt gids van Bellman. Hij denkt terug aan de keuze die zijn volk werd voorgelegd en aan de voorspellingen van een oude man.

‘Hij voorspelde dat er een moment zou komen waarop ze zouden inzien dat de aarde in haar geheel onder de huid van hun voeten was getrokken, dat ze op een dag zouden ontwaken, in de ochtendschemering, en zich zouden realiseren dat alle bossen en bergen, alle rivieren en uitgestrekte prairies, tussen hun vingers door waren geglipt als een lint van water, en dat de overeenkomsten die ze hadden gesloten niets anders hadden opgeleverd dan wat waardeloze sieraden, een stel oude kleren en een paar roestige geweren. Alles wat zij hadden ingebracht – hun honden en hun huiden, hun vismeel en hun maiskoeken, hun welwillende opstelling, hun kennis van het land en hun aloude gewoonten – hadden ze uiteindelijk voor een habbekrats weggegeven, en ooit zouden ze dat inzien.’

Dankzij romans als West, en andere boeken, krijgen lezers de kans om dit ook in te zien, aan welke kant je ook staat.
Inzicht krijgt de lezer ook in hoe je een verhaal sterk vertelt. Davies springt soms maanden verder in de tijd en focust dan op een kleine gebeurtenis. De buurman die de dochter van Bellman heel dreigend begluurt, de Indianenjongen die een baard afstotelijk vindt, een rode baard is dubbel afstotelijk, het verloren gaan van de brieven die Bellman zijn dochter stuurt en die haar dus nooit bereiken.
West is ook het verhaal van verlies. Bellman heeft zijn vrouw verloren en laat nu zijn dochter bij haar tante achter. Dubbel verlies. Hij probeert er iets voor terug te winnen, de vriendschap met de Indianenjongen, de droom van het ontdekken van de botten en slagtanden en het reizen door een onbekend land, maar toch draagt hij steeds dat verlies met zich mee.
Davies volgt Bellman en zijn dochter, maar ook de Indianenjongen, de buurman, de weduwe van de smid en andere personages. Een techniek die vaker gebruikt wordt in kleine boeken die toch een groot deel van de wereld om de personages heen willen laten zien. Inleven in al die personages is moeilijk, Davies geeft de lezer in ieder geval de kans door voldoende details te tonen die de motieven van de personages in beeld brengen. Verlangens, wensen, dromen – van alle personages weet je geleidelijk aan hoe ze in het leven staan.

Wat Davies opeens doet, na pagina’s in de verleden tijd verteld te hebben: ze gebruikt plots de tegenwoordige tijd. Is dat een trend? In vrijwel alle sterke romans die ik de afgelopen maanden gelezen heb wordt die truc uit de kast gehaald, en het is een moeilijke truc die niet zomaar lukraak toe te passen is.
Als het meisje Bess dat thuis achtergebleven is last dreigt te gaan krijgen van de buurman staat er opeens op pagina 64: ‘De laatste tijd begluurt hij haar.’
Gekoppeld aan die tijdsaanduiding is het proza ongemerkt van verteltijd veranderd. Het kan, maar wel met die duiding erbij, net zoals op pagina 92 waarop Bellman gevolgd wordt in de tegenwoordige tijd (‘Ze kiezen een koers die wegvoert van de rivier.’) en een paar pagina’s verder als het weer over het meisje gaat: ‘Er komt een dag dat Bess op de trappen van de bibliotheek…’
Die passage is wat langer en schakelt ongemerkt weer terug naar de verleden tijd, in een alinea die gaat over haar overleden moeder, over wat ze hoopt en denkt, en dan volgt een zinnetje juist zonder tijdsaanduiding: ‘Een wereld met een smalle toegangspoort en vele huizen, met bronnen van stromend water, zonder verzengende hitte en zonder nacht.’ Een zin die zowel in de verleden tijd als in de tegenwoordige tijd terug kan komen, en Davies schakelt daarna slim weer over op wat het meisje haar vader ‘een keer had gevraagd…’ Zo maar een keer, in het verleden, dus in die tijd verteld.
Nog één keer gebruikt Davies deze techniek, in het slot, als de jonge Indiaan eraan denkt dat hij geen wapen bij zich heeft. Dat gaat door tot de dochter een paard hoort, net als ze dat nodig heeft. ‘Dan hoefgetrappel in de verte…’ Weer een slimme tijdsaanduiding, nog een paar regels in het nu, en dan een noodkreet en weer verder in de verleden tijd.
Het lijkt allemaal overbodig en vergezocht, deze kleine schakelingen in het vertellen van haar proza maken dat Davies kleine roman levendig blijft. Zelfs als ze de voltooid verledentijd gebruikt, zoals op pagina 105, en dat twee bladzijden volhoudt, is het proza te behappen. Ze begint ook hier met: ‘Een hele tijd terug…’ en dat klopt, want deze verste verteltijd voegt zelden iets aan een verhaal toe en is meestal te omzeilen.
Hier werkt het. Schrijvers die het spelen van verteltijden willen begrijpen slaan er deze roman nauwkeurig op na. Het is een lesboek zonder dat het belerend wordt. Een roman die laat zien hoe een roman verteld kan worden.
De passages waarin Bellman ziek wordt en overvallen wordt door twijfel of hij niet beter thuis had kunnen blijven, zijn niet de beste delen van het boek. Deze man gaat met een vast vertrouwen op pad, als daar een deuk in komt wordt het verhaal minder. Toch weet Davies hier een mooie draai aan te geven door terug te keren naar de man zelf:

‘Er waren zo veel manieren om te bepalen welke kant je op wilde met je leven. Zijn hoofd begon te tollen als hij er alleen al aan dacht. Hij voelde steken in zijn hart als hij bedacht dat hij de verkeerde manier had gekozen.
Dingen konden heel belangrijk lijken, totdat zich iets aandiende wat belangrijker was. Hij bekeek zichzelf in een van de laatste stukken spiegelglas die hij nog in het tinnen kistje had zitten en lachte. Hij moest zichzelf weer een beetje fatsoeneren. Naar de kapper gaan voor een bad en een scheerbeurt, zijn snor bijwerken en zijn baard afscheren – die was vies en lang en groot genoeg om een vogeltje in te verstoppen.’

Over het slot zeg ik vanzelfsprekend niks, behalve dat het logisch, dramatisch en imponerend is.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen