Toen mijn vader vroeg of ik zin had om naar de dierentuin te gaan vroeg ik hem of Charlotte mee mocht. Dat was mijn vriendin. Hij zei dat hij nog wel introductiebonnen had, dus het mocht. Hij belde haar moeder op en vroeg of ze mee kon, we zouden haar wel op komen halen. De moeder van Charlotte zei dat ze ook een abonnement hebben op de dierentuin, ze zou Charlotte het pasje meegeven. Het mocht, het was geregeld. Daar had ik op gewacht. We haalden Charlotte thuis op. Toen fietsten we naar de dierentuin. Ik op mijn eigen fiets. Ik weet de weg. Charlotte niet, zij zat bij mijn vader achterop, haar voeten op de steuntjes. Eerst was Charlotte mijn beste vriendin, in de eerste klas. Nu zei ze dat ze niet meer mijn beste vriendin was maar nog wel een vriendin. Dat dacht ze. Bij de ingang van de dierentuin lieten we de kaarten zien en we gingen naar binnen. Een fijne dag, zei het meisje bij de poort en ik zei: Ja, een fijne dag. Mijn vader wilde eerst naar het nieuwe vogelhuis. Dat was goed. Daarna gingen we door het reptielenhuis. Charlotte wees een slang aan die op een tak zat, een klimslang. Hij kronkelde zijn kop omhoog. Mijn vader maakte een foto van de slang. Toen kwamen we bij de krokodillen en de Boa Constrictor. Die is gevaarlijk, zei Charlotte. Die wurgt je. Mijn vader deed een hand op mijn nek, hij heeft hele grote handen. Ik deed alsof ik gewurgd werd. Au au. Toen liepen we naar de roofdieren en de olifanten en daarna kocht mijn vader een ijsje voor ons, softijs uit een machine waar je zelf het hoorntje in moest zetten, en met de ijsjes liepen we naar de waterval en toen naar de insecten. Daar wilde ik naartoe. Ik wist een deurtje. Bij de mieren. De vorige keer zat er een sleutel op de deur en die heb ik toen meegenomen. Ik had de sleutel omgedraaid en binnen gekeken. Naar de hokken. Ik had de sleutel in de zak van mijn jurk. We keken naar de torretjes en naar de spinnen. Mijn vader ging op de vensterbank zitten. Wij kijken wel even daar, zei ik, en hij knikte en pakte zijn boek. Hij heeft altijd een boek in zijn tas. En toen liep ik met Charlotte naar de dikke slakken en de torretjes en de mieren. En naar het deurtje. ik keek eerst of er niemand aan kwam, pakte toen de sleutel uit mijn zak en maakte de deur open. Charlotte vroeg wat ik ging doen en ik zei: Hier kun je ze heel goed zien. Ze wilde mijn vader roepen en ik zei: Kom maar mee, het is heel mooi. Achter de deur waren buizen, daar liepen mieren doorheen. Heel veel rooie mieren. Charlotte volgde me door de deur en ik drukte hem zachtjes dicht. Er was verder niemand. Er stonden kratten met bladeren en er was een wasbak. Naar het hok van de mieren liepen buizen die doorzichtig waren, ze gingen door de muur, dan kon je aan de andere kant de mieren zien. Rooie mieren. Op het hok lag een glasplaat. De vorige keer lag die er ook en ook nu lag hij los. Ik pakte een stoel en ging op de stoel staan. Wat doe je? zei Charlotte maar ik zei niks, soms kun je beter niks zeggen. Ik schoof de glasplaat opzij. Een mier zat op de glasplaat, op zijn kop. Ik keek over de rand. Laat mij er ook bij, zei Charlotte. Dat past niet, zei ik en ik stapte van de stoel en liet haar erop staan en toen keek ze over de rand, die kwam tot halverwege haar middel. Dat zijn er veel, zei ze. En toen pakte ik haar benen en trok die omhoog en ook naar achteren en Charlotte viel voorover in het hok. Ze gilde maar niemand hoorde haar. Ik schoof de glasplaat weer op zijn plek. Ik ging naar mijn papa. Ik draaide de deur weer op slot. Mijn vader vroeg waar Charlotte was en ik zei: Die moest even naar de wc en die is bij de zeeleeuwen. Daar is ze alvast naartoe. Goed, zei hij. Dan gaan we daar ook maar naar toe. Dat lijkt mij wel.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen