Op de eerste maandag na de sneeuw en vorst was de school dicht. Op de maandag van de ijzel in de nacht en de dooi in de ochtend, een week later, was de school ook de eerste paar uren dicht. De reden was dat de onderwijzers niet naar school konden komen. Ik vond het allemaal prima, ik kon onze zoon die ochtenden wel opvangen en daarna keken we wel weer verder. Veiligheid boven alles, dacht ik, maar tegelijk dacht ik aan de in totaal twaalf jaar die mijn oudste twee kinderen op hun basisschool zaten, van 2007 tot twee jaar geleden, en dat er in die periode geen enkele keer werd gezegd dat de school gesloten moest zijn omdat er iets met het weer en het vervoer aan de hand was.

Code rood, dat zal het zijn. De afgelopen jaren is al heel vaak een code rood afgekondigd. Nu zal dat wel goed zijn, voor mensen die de weg op moeten, dan weten ze dat het gevaarlijk kan zijn, maar code rood is in deze coronatijd, waarin alles gemakkelijk wordt afgezegd of opgevat als een verbod, een reden om alles maar te cancelen. Code rood is geen waarschuwing, zo van: pas op, het is glad. Het wordt opgevat als een verbod om naar buiten te gaan.

Het lijkt misschien heel ouderwets, maar in mijn schooltijd was het soms ook koud en ijzelde het en dooide het en moest je soms een extra truitje aan, maar de overheid of het knmi kondigde geen waarschuwingen af. Ieder voor zich kon wel inschatten of je de weg op kon. Er gleed wel eens een auto van de dijk of tegen een boom, dat gebeurt nog steeds. Het ding was: je was getraind in het inschatten van de omstandigheden, en je kon zelf de afweging maken, omdat je die afweging moest maken.

Dus die tweede maandag van de gladheid en de dooi die ingezet werd zette ik mijn zoontje op zijn zadeltje op de stang van mijn fiets en gingen we boodschappen doen, met twee lege tassen naar de winkel en met twee volle tassen terug, één op het rekje en één links aan het stuur, met daarin de lichtere spullen zoals rijstwafels en brood en sla. Het was erg glad, we moesten toch wat te eten halen. Het was glibberen en oppassen, maar we moesten toch wat te eten halen. Op straat was het glad, we konden wel over de stoep. Dat soort afwegingen lijken bij code rood niet te bestaan. Alles is code rood, iedere straat is anders. Verderop was het ook glibberen, dus liep ik een meter of tien, met de fiets aan de hand. Op de terugweg wisten we hoe het zat, dus kwamen we gauw thuis. We hadden te eten, we hadden het gered.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen