In tijden van crisis zijn er romans die je bijzonder veel kunnen leren, niet over hoe om te gaan met de crisis maar welk gevoel in tijden van crisis als laatste over moet blijven. De weg van Cormac McCarthy heb ik helemaal stukgelezen. Het zit met plakband aan elkaar. Het boek bladert niet meer, de pagina’s zitten scheef. Ik lees het heel voorzichtig. Dat deed ik al, omdat het boek vertraagt, omdat de witregels me steeds even op adem laten komen, om de spanning en het gevoel dat van de pagina’s spat, de pijn, maar dus ook door de slechte lijm.
Het is een uitgave van de Arbeiderspers, een slecht geplakt boek. Ik heb ook de originele Amerikaanse editie. Die is dikker, de letters zijn groter, het is ruimer gezet, dat boek geeft aan dat de Arbeiderspers dit superieure boek zuinig in de markt heeft gezet. Bij het colofon in een roman staat meestal welke drukkerij het boek gedrukt heeft. Hooiberg uit Epe is zo’n bekende naam. In deze roman staat niks, en dan weet je: dit is goedkoop gedrukt in China of zo.
Maakt niet uit. Gedrukte tekst heeft meer waarde dan het plaksel. Deze woorden zijn zelf het plaksel. De man en zijn zoon die door een apocalyptisch Amerika dolen houden elkaar vast, beschermen elkaar, de man ontziet de jongen.
Onze tijd is anders. Het virus dat nu mensen bang maakt is iets anders dan de vuurbal die, in mijn verbeelding, de aarde heeft getroffen in De weg en die alles in de as heeft gelegd. De paniek van de mensen in de roman wordt uitgesmeerd over een flink aantal crisisjaren, wij hebben net een maandje heibel.
Romans kunnen uitvergroten en tegelijk een spiegel zijn. In De weg gaat iedere scène over een man en zijn zoontje. Tussen die twee komt niets te staan. De moeder stapte er tussenuit, die kon niet meer. Die zag dat ze niet naar de dood uitkeken, maar dat de dood het leven in het nu overgenomen had. Dan kon je evengoed werkelijk dood zijn. De man kon dat niet. Dat is zijn kracht en zijn zwakte.
In de roman zit een ansichtkaart die in tweeën is gescheurd. Er staan bladzijdenummers op met daarbij de scène waar het over gaat. 11 – lampje. 54-56 – jongetje. 95 – haar. 123 – zuigeling. 135 – zwemmen. 142-144 – revolver. 155 – ziek en kijken.
Ik weet precies waar die stukjes over gaan. Het revolver dat ze niet kwijt mogen raken en dat door de jongen vergeten wordt waarop de vader zegt: Het geeft niet. De schouderbladen van de jongen die de lucht insteken, mager en broos, als hij het water in loopt om te gaan zwemmen. Het jongetje dat ze tegenkomen en dat wegrent, en het zoontje dat hem graag wil helpen en graag vrienden met hem wil worden, maar dat kan niet. Het knippen van een baard, zijn haar.
Iedere scène is zo aandoenlijk, in een compleet verwoest land met slechts een paar overblijfselen van onze mooie moderne wereld. Een blikje cola. Water. Vuur op een beschutte plek. Een nieuwe as voor de kar.
Het gaat niet om wc-papier of pasta, het gaat om de kwetsbaarheid van de samenleving. Bijvoorbeeld dat alles afhankelijk is van elektriciteit. Het virus dat nu over de wereld kruipt zal de stroomvoorziening niet platleggen, indirect kan dat wel, als de paniek groter wordt.
De weg is het verhaal van de toekomst, een verhaal dat nu gelezen moet worden, dat ons nu tot rust zal manen. Ik zorg voor mijn gezin, leg mijn zoontje in bed, zeg welterusten en lees weer een paar passages.
De beste zin om een stukje over dit boek af te sluiten staat in het boek zelf, op pagina 49: ‘Vertel alsjeblieft niet hoe het verhaal afloopt.’
Ik zeg niks over het verhaal, het gaat niet om het verhaal maar om de beklemmende sfeer, de vervreemdende wereld en de solidariteit die gemist wordt en die deze vader en zoon hebben en elders wensen te zien. Het belangrijkste woordje: alsjeblieft.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen