Dit kleine boekje van Beppe Fenoglio, die zich zo langzamerhand ontpopt tot een van mijn favoriete schrijvers, kon ik niet laten liggen toen ik koffie ging drinken bij boekhandel Schimmelpennink. Het heet Dag van vuur. Van Fenoglio had ik al Doem en De laatste dag in de kast staan, twee erg sterke boeken. In de verhalen van Dag van vuur laat hij wederom het alledaagse leven van het Italië van voor de oorlog zien. Hij schreef zijn boeken in de jaren zestig. Iedere zin van Fenoglio is helder. De personages zijn innemend, eenzelvig, volks en nukkig. Niet de prototypen Italianen, en dat maakt het werk van Fenoglio zo goed.
Het boek opent met een man die een dubbelloops (de bundel sluit ook af met een dubbelloops) oppakt en zijn broer en nog een stukje van de familie vermoordt en daarna de politie onder vuur neemt. Daarna volgen we een jongen in een compleet ander dorp die het schieten in de verte hoort en met zijn oom de dag voorwandelt. De reden voor het schieten wordt langzaam duidelijk, dit verhaal gaat over afstand en wat je daardoor weet of niet weet. ‘En ik zal de Heer smeken dat hij ons allemaal vergeeft en ons het licht schenkt, want de oorzaak van al dat kwaad dat ons in deze heuvels treft, is onze gruwelijke onwetendheid.’ Met die woorden sluit de tante van de verteller het verhaal af.
In een ander verhaal wordt een jong meisje uitgehuwelijkt aan een oudere man, ze raakt zwanger en krijgt het kind. Een sterk meisje, een sterke moeder, maar vooral ook nog een kind dat speels is, want als ze in de markthal geroepen wordt zegt ze: ‘Laat me alleen deze knikker nog uitspelen,’ precies wat ze zei toen ze geroepen werd toen ze uitgehuwelijkt werd. Een beetje iets te mooi rond, maar van Fenoglio kan ik het hebben omdat dit personage precies goed uitgewerkt is, in handeling en dialoog.
Daarna volgen twee portretten van een gokker en een rooie Italiaanse jongen die nogal lomp opereert. Sterke verhalen die steunen op de beelden van het land, de mensen en hun levens. Literatuur hoeft niet bijzonder te zijn, of groots, of fantasierijk. Als het net even een inkijkje geeft van de wereld waar ik iets over wil weten, dan is het verhaal al bijna af. Als het verhaal ook nog eens verteld wordt in totaal heldere zinnen, dan is het subliem.
Superino, de vreemde rooie, kijkt naar een draaikolk en zegt: ‘In deze draaikolk heeft Pietro Cogno zich twee jaar geleden verdronken, hij werd ervan beschuldigd dat hij dat maffe mens van Moretti had bezwangerd. En een jaar eerder had Ugo Fazzone zich in deze zelfde draaikolk verdronken, toen zijn oude heer hem geen geld wilde geven om compagnon te worden van de watermolen van de Verna. Ben je bang?’
Dat laatste vraagje, dat is hoe Fenoglio schrijft. Twee prachtige zinnen, die complete levens en de samenhang tussen mensen laat zien, en daarna even kort de vraag of de ander, die in de buurt is, daar soms ook geen last van heeft. Een antwoord is niet nodig. De ik die aangesproken wordt is niet bang voor het water maar wel voor school, voor de meester, voor zijn familie, voor het moeilijke leven.
Het mooiste verhaal is Regen en de bruid, over een kleine jongen – het personage dat Fenoglio graag gebruikt, naïef, speels, en toch licht beschouwend – die door zijn neef, een priester en zijn tante meegenomen wordt naar een bruiloft, door de stromende regen. De priester moet het onweer beteugelen door te bidden maar komt er niet uit. De tante vindt haar zoon een nep-priester. De jongen krijgt de priesterhoed op en wordt als ze er uiteindelijk zijn door de bruid uitgelachen. Het gaat over geloof, vertrouwen, familie, leeftijd, Italië, het platteland, de elementen. Over alles, in een bos, met levensechte personages, zeer invoelbaar en menselijk. En bovendien een verhaal met richting, naar de bruiloft, en overzicht wat betreft tijd. Kort en sterk. Ik kan me geen beter verhaal voor de geest halen en zal iedereen die ook maar iets met schrijven wil aanraden eerst dit even te lezen, nog een keer te lezen, en dan pas te beginnen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen