Op aanraden van Ronnie Terpstra, boekhandelaar uit Leeuwarden, schafte ik Dagen zonder eind aan, een roman van Sebastian Barry. Ik had nog nooit iets van Barry gelezen, alleen wist ik dat hij een keer voor de Booker Prize genomineerd was, maar meestal laat ik me weinig door die Engelse prijs leiden omdat vrijwel alle Engelse romans die ik in handen krijg erg tegenvallen, ze zijn oubollig, vormelijk, vervelend, vooral de boeken van de schrijvers die al iets op leeftijd zijn, een euvel waar Nederlandse schrijvers ook last van hebben: slijtage zet zich door in proza. Romans uit Schotland, Ierland, Wales zijn van een andere orde, daar wordt verteld, en goed verteld, maar Engelse romans brengen me al jaren weinig goeds.
Barry is geboren in Dublin en van 1955 en de sleet zit er nog geenszins op, te oordelen naar het eerste hoofdstuk van Dagen zonder eind, dat vooral heel sterk verteld is. Ene Thomas McNogwat neemt het woord, van Ierse afkomst, tussen de cowboys in Amerika, en hij vertelt lekker. ‘Ik had het wel gehad met de honger’ staat onderaan de eerste pagina, en meteen kennen we de motieven om als dansmeisje te gaan werken en als dat niet langer lucratief is om het leger in te gaan. Jongens die dansen in jurkjes, om mijnwerkers te vermaken, een mooie scène om een roman mee te beginnen.
Over mijnwerkers is Thomas stellig: ‘Elke burger weet dat mijnwerkers van allerlei slag zijn. Ze verschijnen in een streek, ik heb het duizend keer gezien, en vagen daar alle schoonheid weg en dan is er zwarte vuiligheid in de rivieren en lijken de bomen helemaal te verschrompelen als verontwaardigde maagden. Ze houden van onbehouwen eten, onbehouwen whisky, onbehouwen nachten, en – om eerlijk te zijn – als je een indianenvrouw bent, houden ze op een heel foute manier van je. Mijnwerkers dringen tentendorpen binnen en houden daar huis. Mijnwerkers zijn de ergste verkrachters aller tijden, sommige dan.’
Generaliserend, net zoals ik dat zojuist deed over schrijvers op leeftijd – dat was niet zo maar. De overdrijving en de toevoegingen als ‘om eerlijk te zijn’ en ‘sommigen dan’ maken deze vertelling levendig, onbetrouwbaar, speels, grappig, hard.
Juist ook dat harde en machtig stoere van verteller Thomas en zijn kompaan John Cole haalt Barry onderuit, beter nog: hij geeft het kader en glans, door een enkele thematische toevoeging: die jongens houden van elkaar, het zijn kompanen en vrienden en geliefden. Dat doet Barry met minimale sobere zinnetjes die her en der op de lezer losgelaten worden, zoals na een avond vol drank als de jongens gepist hebben en hun harde britsen opzochten, dan volgt een losse alinea:
‘En toen hebben we stilletjes geneukt en daarna zijn we gaan slapen.’
Dat brengt verwarring maar ook brengt het gevoel, en heel anders dan Brokeback Mountain, daar draait het verhaal om cowboys die homo blijken te zijn, en de schaamte die daar bij hoort. Hier vertelt de sympathieke Thomas gewoon wat hij voelde voor die ander, direct en zonder schaamte.
Ik geniet hier momenteel erg van en ik ben nu al bang dat deze roman straks in tegenstelling tot die dagen wel een einde blijkt te hebben.
Voorlopig lees ik verder, kom ik mooie scènes tegen, kom ik mooie zinnetjes tegen, zoals: ‘De prairie is zo stil als een bibliotheek.’ Uitgesproken door een jongen die waarschijnlijk nooit in een bieb was maar er wel goed over kan vertellen.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen