Als er een soort optocht voorbij komt zegt Vernon, de verteller: ‘Een van de majorettes die ik door de deur kan zien, is ongeveer tachtigduizend jaar oud, haar billen slaan tegen de achterkant van haar benen terwijl ze voorbij marcheert. M’n ogen vluchten naar een tv in de hoek.’

Er is voor Vernon geen ontkomen aan, in de roman die voluit Vernon God Little heet, ook zo vertaald (door Dennis Keesmaat) want het is een naam. Het was het debuut van DBC Pierre, uit 2003. De initialen staan voor Dirty but clean, en alles aan Pierre ademt juist iets vies en onaangepast, iets vervelends ook, maar dat beeld dat de schrijver graag uit wil dragen ben ik gauw vergeten als ik zijn klassieker herlees. Vernon God Little is een geweldig boek.

Zo’n zinnetje met een overdrijving waar dan toch in de gauwigheid ‘ongeveer’ voor is gezet, dat is bijzonder grappig en goed verteld. Ieder hoofdstuk wordt zo ongebouwd, vanuit het gezichtspunt van een jongen die wellicht betrokken is bij een slachtpartij op een school in Texas. Niet de dader is aan het woord, maar een vriend van de dader – vandaar de verdenking. Vernon heeft zo zijn eigen problemen, hij moppert en relativeert, hij is onbetrouwbaar, maar je gelooft iedere opmerking, en hij is grappig. Gouden combinatie.

Wat opvalt aan de beschrijvingen die Vernon geeft: alles beweegt en alles is bezig. ‘Zijn ogen vluchten,’ dat is toch iets ander dan zeggen dat je naar de tv keek in de hoek, of dat je je blik afwendt. ‘Als een worm graaft een rilling zich door me heen,’ zo eindigt hoofdstuk 2. ‘Vliegen bewaken twee historische kappersstoelen…’ Dat is ook een lekker beeld. Die vliegen doen iets. Zelfs vliegen hebben een handeling, dus iedere zin leeft net even iets meer dan wanneer Vernon zou zeggen: ‘Er cirkelen vliegen boven…’ Beweging, actie, uitdrukkingen, gekoppeld aan fysiek. ‘Hele mierenkolonies van klittenband in m’n darmen.’

Verder gebruikt hij heel veel fuck of fucking, en na vrijwel iedere zin die iemand anders uitspreekt en die Vernon letterlijk herhaalt voegt hij net even een ‘Yeah right’ toe of: ‘Duh’, zodat de lezer toch iedere keer weet wie er aan het woord is – slim. Hoog tempo, net voldoende actie in het verhaal, als afwisseling voor de eindeloze gedachten van deze worstelende puber. Iemand die tegen hem zegt: ‘Waar is de rest van je hoofd?’ en die vervolgens vraagt waar Vernon heen gaat en als antwoord krijgt: ‘Suriname.’ Pierre weet precies hoe hij een heerlijk vlot en goed getimed verhaal moet vertellen, precies het tempo en de toon en de gedachtewereld van een jongen van zeventien.

Ik dacht de hele tijd: als mijn oudste zoon een boek zou schrijven, dan zou hij op deze manier vertellen. Alles om hem heen zou belachelijk zijn, en hij zou ook nog kunnen uitleggen waarom. Ik was direct van plan een roman vanuit mijn oudste zoon, net achttien geworden, te schrijven met Vernon in mijn achterhoofd. Ik zou het in een maand af hebben en direct naar een uitgeverij sturen waar ze Pierre goed kennen. het zou een groot succes worden. Dat doe ik niet hoor – no worries – maar die gedachte vertelde me alleen deze roman de schijn ophoudt dat zo’n vertelling gemakkelijk is. Dat iedere schrijver of de zoon van een schrijver dit wel even na kan doen, wat natuurlijk helemaal niet klopt.

Het mooiste voorbeeld van de vertelstem en de toon van Vernon, die uitvergroot, alles fysiek maakt, en grappig is, staat op pagina 105 van mijn flitsende gele pocketuitgave, als hij de aandacht wil van jongen met een beugel: ‘Ik roep een jongen die voorbijkomt, zo’n type dat z’n lippen niet over z’n beugel kan krijgen, alsof-ie een fucking radiator in z’n mond heeft.’

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen