We gingen naar de allergrootste winkel van de wereld. Althans, dat vertelde ik mijn zoon. Ik weet dat er waarschijnlijk wel grotere winkels zijn, maar deze winkel is voor mij heel erg groot. Het was een enorm blauw gebouw. Je moest naar binnen, een trap op en kilometers lang door een doolhof langs allemaal handige spullen die heel erg goedkoop waren. Alles hadden we nodig. Ik droeg een zware tas. Er kwamen steeds meer handige goedkope spullen bij en toen moesten we de zware spullen nog uit een magazijn halen met rijen en vakken, zo hoog dat het me duizelde. De bureaustoel die mijn dochter moest hebben lag niet in het magazijn. De rest wel. Mijn jongste zoon liep dapper door de gangen. De grootste winkel van de wereld, zei hij. Bij de uitgang kochten we een ijsje voor hem. Ik had anderhalf uur door dat gebouw gelopen, waar geen ramen in zitten, waar de koopjes je volledig afsluiten van de buitenwereld, waar geen nieuws doordringt en geen sportwedstrijd die op dat moment gehouden wordt betekenis heeft, waar geen werk telt of dat het zondag is. Ik was zo opgelucht toen we weer buiten stonden. Ik ging op een betonnen bankje zitten. De anderen aten ijs. Ik wilde alleen wat water.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen