De appelteler hield niet van bezoek.
Hij deed er in ieder geval alles aan om de spreeuwen, kraaien, merels en weet ik wat voor vogels nog meer appels lusten te verjagen. Er zweefden vogelverschrikkers boven de rijen boompjes, er werden kanonnen afgeschoten, er hingen blinkende metalen plaatjes aan touwtjes.\
De vogels trokken zich er niet veel van aan, net zoals wij, de schooljeugd uit het dorp. Hoe meer de appelteler zich inzette om bezoek buiten te houden, hoe spannender het was om appels te gaan jatten.
De sloot was niet echt een hindernis, daar sprong je zo overheen.
De hoge haag die de appelboompjes moest beschermen tegen de zuidwesterwind die in de polder de populieren langs de weg schuin liet groeien, was ook geen probleem: aan de onderkant zaten gaten Annie MG Schmidt voor zich moet hebben gezien bij het schrijven van het eerste verhaaltje van Jip en Janneke.
De vogelverschrikkers zagen er wel beangstigend uit, die kenden we, en van wat blinkend metaal hadden we ook geen last. Alleen voor de buks waren we bang.
De appelteler had door de week niets anders te doen dan zijn appels te laten groeien en tussen de rijen appelboompjes door te rijden op zijn kleine tractor, met zijn buks. Hij reed langzaam, alsof hij geen geluid wilde maken. Wij maakten ook geen geluid, we luisterden naar de tractor, ergens verderop, en welke richting hij op ging.
Het was de sport de hele appelboomgaard door te steken en aan de achterkant het weiland in te rennen, met minstens vijf appels. om aan de achterkant te komen moest je een breed spoor over, en daar loerde de appelteler op.
Die middag, na school, kwamen we bij dat spoor en hadden we niet gezien dat de appelteler zonder zijn tractor de boomgaard in was gegaan. Hij lag tussen de boompjes, met zijn buks, en toen wij passeerden schoot hij een wolk hagel tussen de appelbomen door.
Hij raakte ons niet, maar vlakbij ons hoorden we de hagel sissen in de sappige appeltjes en toen we buiten adem bij het weiland kwamen en over de sloot sprongen en nog een heel stuk verder renden, tot bij het kanaal, zeiden we tegen elkaar dat er in september vast en zeker ergens in Nederland iemand in een appel zou bijten en zijn tanden stuk zou knarsen op een stuk hagel.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen