Boeken vormen een reeks, betoogde ik een tijdje terug. Na het lezen van het eerste deel van De oorlog aan het einde van de wereld van Maria Vargas Llosa was er maar één boek dat ik met zekerheid moest lezen: De binnenlanden van Euclides da Cunha.
De binnenlanden is de non-fictie leesaanvulling op de roman van Vargas Llosa. Wat betreft het schrijven was De binnenlanden de basis voor De oorlog aan het einde van de wereld. Soms kun je boeken lezen in de omgekeerde volgorde dan waarin ze geschreven zijn. Noem dat verdieping.
Ik wil nu eigenlijk al veelzeggende duidende woorden gebruiken om het boek neer te zetten: prachtig, ijzersterk, indrukwekkende, wreed, imponerend, uitgebreid, lijvig en beeldschoon, maar eigenlijk doen al die simpele typeringen de leeservaring tekort omdat dit boek een compleet land, zelfs een compleet continent bestrijkt. Het laat zien wat de volksaard van de mensen in dit uitgestrekte land is, door in te zoomen op een enkeling.
Dit boek is Brazilië.
Allereerst het verhaal. Aan het einde van de negentiende eeuw, dat lijkt al twee eeuwen geleden, krijgt een enkele man een ongekende faam toebedeeld. Over een periode van zeker dertig jaar ontpopt hij zich van een eenzame vreemde kluizenaar tot een goeroe die een enorm gevolg aan zich bindt, een eigen gemeenschap in het dorpje Canudos, vergelijkbaar met de vertelling van Gabriel García Márquez over de stad Macondo, in Honderd jaar eenzaamheid. Zonder toeval evenveel lettergrepen, Canudos en Macondo. Evenveel letters ook. En vijf van de zeven letters komen overeen. Echter, García Marquez verzon zijn stadje. Canudos lijkt in zijn echtheid en weidsheid meer fictie dan Macondo.
Aanvankelijk is hij een verstotene die de eenzaamheid van de sertão, de dorre vlakten in Brazilië, opzoekt. Lang haar en baard, paard versleten gewaad, wandelstok, het prototype van een verwilderde of verstotene die als enige basis het geloof heeft, in een uitgekamde vorm. De weg van die bijzondere figuur naar de gemeenschap die zich met hand en tand verzet tegen inmenging van buitenaf en dus ook tegen ingrijpen van de republiek, het bestuur, de politie en uiteindelijk het leger is lang en beslaat vele jaren.
De roman van Vargas Llosa laat naast de Raadgever, zoals Antônio Conselheiro al gauw genoemd werd, verschillende figuren zien die ieder hun eigen motieven hebben om hem te volgen: een vrouw die met een wiggelroede water op kan sporen, een bandiet, een priester die zich vergrijpt aan drank en vrouwen, andere verstotenen. In goed leesbare levendige taal trekt Vargas Llosa de lezer die gemeenschap in, met steeds de dreiging van buitenaf: het leger dat een einde wil maken een deze rebellie.
Vargas Llosa baseerde zijn roman op de feiten die Da Cunha aanvoerde, in het enige boek dat hij in zijn leven schreef: De binnenlanden. Het is een nauwgezet verslag van de grootste misdaad uit de Braziliaanse geschiedenis. Hoe zet je zo’n groots opgezet boek neer?
Het is als Congo van David van Reybrouck, maar dan over Brazilië, en specifiek geconcentreerd op deze relatief kleine geschiedenis, waarbij land, natuur, antropologie, geschiedenis en alle mogelijke literaire middelen en stijlen (epos, poëzie, roman, essay) gebruikt worden.
Het is In Cold Blood van Truman Capote, maar dan vele maken groter en exotischer. Waarschijnlijk gaat die vergelijking mank, het geeft wel een klein idee van het allesomvattendheid en imponerende onderzoek dat in dit boek uitgewerkt is.
Ik moet zeggen: het begin, als Da Cunha, het land met de vlakten, de droogte, de uitgestrektheid beschrijft zet me aan tot bladeren, want wat Vargas Llosa direct lukt – het leven van die ene vreemde vogel schetsen – lukt Da Cunha pas na honderd bladzijden. Dan is hij aangekomen bij de eerste stappen van de Jomanda-achtige man en zijn leven en wegen. Vanaf daar leest het boek als een nauwgezet verslag van die ene man, een verhaal dat langzaam uitgroeit tot de oorlog uit de titel van de roman van Vargas Llosa, waarin duizenden mensen, aan de kant van de regeringstroepen en van de Raadgever, omkwamen. De opbouw van een gemeenschap die een staat op zich was, tot een slachting die twee jaar bestreek.
De taal van Da Cunha is verfijnd, duidelijk, beschrijvend en tegelijk zeer duidend, sfeervol en met een mooi ritme: ‘Zijn wonderlijke verschijning in de stad – het gezicht als van een dode, strak als een masker, zonder blik, zonder lach, de oogleden geloken, in die kassen, en zijn hoogst eigenaardige uitdossing, en zijn afstotelijke voorkomen van opgedolven lijk, in zijn lange tuniek die een zwart doodskleed leek, met stof bedekte haren die tot op de schouders hingen en zich verwarden met de stugge haren van de onverzorgde baard die tot zijn middel reikte – al die dingen prikkelden nieuwsgierigheid.’
Hier probeert een schrijver te beschrijven, verklaren, inkleuren, maar alleen om de geïnteresseerde lezer een zo volledig mogelijk beeld te geven van deze excentrieke man zodat je hem voor je ziet, zodat je voelt wat voor een man hij was.
Dat lukt prachtig. Iedere alinea is een aanvulling op dit beeld, lukraak gekozen onderaan pagina 129. En op deze manier beschrijft Da Cunha de andere mensen, het leger, het dorp, de streek en het land. Het is een beeldende poging om iets onuitputtelijk groots te omvatten.
Wat het boek in onze tijd wederom zo belangwekkend maakt is de actualiteit van geloofswaanzinnigen die er ook nu zijn. De manier waarop Antônio Conselheiro met beschuldigingen door de rechtbank omgaat – hij zou moorden hebben begaan – lijkt op de manier waarop de moslimextremist die in Utrecht mensen vermoordde in de tram, omgaat met zijn rechtzaak: hij erkent de rechtbank niet, heeft geen spijt, zou het zo weer doen en houdt vast aan zijn zelfgekozen stoïcijnse houding. Da Cunha laat zien dat het niet vreemd is dat dergelijke figuren uit bepaalde kring waardering krijgen. Verwerpelijkheid en waardering gaan hand in hand.
De mogelijkheid die Antônio Conselheiro had om, misschien zelfs zonder dat hij daar op uit was, met zijn volgelingen een fanatieke gemeenschap op te bouwen die jaren stand hield is tegenwoordig minder aanwezig, al gebeurt dit zeker nu nog. De opkomst en neergang van IS laat zich in eenzelfde verhaal vertellen, en ik hoop dat een journalist daar ooit toe in staat is.
Ik moet opeens denken aan Laura H, het boek over het meisje dat in Syrië was. Is dat boek onze versie van De binnenlanden? Daar ga ik de komende tijd achter zien te komen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen