Polly, de verteller van Jane Gardams De dochter van Crusoe, geeft zelf aan hoe het er bij de verschillende pleegmoeders – haar moeder is vlak voor haar eerste verjaardag overleden en haar vader zit op de vaart – aan toe ging: de mensen waren schimmig, een groot deel van haar leven bracht ze door op de keukenvloer en ze leerde dat je niet in het vuur moest vallen en hoe je de sloten op de provisiekast open kreeg om aan eten te komen. Dat zijn levendige harde beschrijvingen, maar de slotzin van deze typische Gardam-alinea maakt alles af: ‘Ze omhelsde me soms.’
Moet ik daar nog iets aan toevoegen?
Vier kleine woordjes vanuit een jong meisje die haar leven en het gemis aan genegenheid samenvatten zonder slachtoffer te zijn of sentimenteel te doen. Het zet de toon voor deze mooie roman, die volledig door Polly verteld wordt; ze kijkt terug op haar jeugd.
De roman speelt ruim honderd jaar geleden en ik moet bekennen dat ik weer moeite had om door de beschrijvingen die een tijdsbeeld moeten geven heen te komen. Het theedrinken en koekjes eten bij de haard, en vooral de fascinatie voor breiwerk en allerlei kleren: zware wollen onderhemden, korsetten, lange onderbroeken met een tournure aan de achterkant, kousen, kapothoeden, Schotse baretten. Het wordt allemaal genoemd alsof het doodgewoon is, ik krijg de indruk dat hier een oude kleermaker aan het woord is.
Daarnaast is Gardam, net als in haar andere boeken, ijzersterk in het vertellen, in details en in een vaste afgebakende sfeer. De folklore vergeet ik al snel, als de personages meer en meer gaan leven, en dat doen ze met iedere bladzijde, met iedere zin. De eerste veertig bladzijden zijn erg traag en in feite verandert alleen Polly’s meisjeslichaam en weigert ze de opgelegde kerkelijke tradities, maar als Polly het beroemde boek over Robinson Crusoe in handen krijgt wordt dat boek een parabel voor het leven van het meisje, als een verschoppeling aangespoeld op een eiland.
Polly glijdt langzaam af. Ik lees mooie zinnetjes. Gardam gebruikt heel onopvallend herhalingen en koppelt stukjes zin met ‘en’ aan elkaar.
‘Er stond een keiharde wind boven de duinen maar het strand lag in de volle zon en ik wandelde snel, rende een stuk en wandelde tot ik het gevoel in mijn vingers en tenen dat ik door het bad was kwijtgeraakt terugkreeg.’
Opvallend: geen komma voor ‘maar’. Ik kan met zekerheid zeggen dat Gardam en de Nederlandse uitgever hiervoor hebben moeten vechten want correctoren plaatsen standaard altijd een komma voor een ‘maar’. Dat zijn regeltjes. Maar het ritme van een zinnetje kan lelijk worden opgebroken door regeltjes. Wel een komma na het eerste wandelen en dan nog een keer wandelen, afgewisseld met rennen. Gardam beschrijft hoe zoiets gaat, je voelt de vermoeidheid en het willen rennen ook als je moe bent. De woorden en beschrijvingen volledig gekoppeld aan iets fysieks, en ook nog aan een gevoel in haar vingers en tenen. Vermoeidheid om het gevoel van kou elders te verdrijven. Ik voel de staat van dit meisje. Dit proza is soepel, speels, zintuiglijk.
‘De volgende woensdag sneeuwde het en had ik hoofdpijn en kwam Charlottes neefje zoals elke woensdag op de terugweg van school naar Oversands.’
Die namen en de sneeuw en hoofdpijn doen er eigenlijk niet toe, het gaat hier om het verbinden van sneeuw met hoofdpijn en een neefje. En en. Dat ritme is heel anders dan wanneer er voor de eerste ‘en’ een komma gebruikt wordt, dan loopt de zin niet. Gardam begrijpt dat goed. Schijnbaar lukraak verbindt ze zaken, en dat is zoals een meisje deze wereld ziet.
‘En met zijn dood kwam er in het gele huis een einde aan het gelijkmatige patroon van dagen en weken dat zeven jaar had geduurd. Op vrijdagavond zat Charlotte nog steeds in de schommelstoel bij de keukendeur in de rouwsluier die mevrouw Woods haar had geleend. Daar zat ze.
En daar zat ze, en tante Frances bracht…’
Die nieuwe alinea beginnen met dezelfde zin waar de vorige alinea mee eindigde, dat geeft heel mooi het verloop van de tijd aan, het zitten, het wachten, sterker nog dan die zeven jaren die verstreken waren.
In De dochter van Crusoe volgt de lezer van dichtbij een meisje in haar eigen kleine wereld. De gebeurtenissen zijn speldenprikjes om aan te geven hoe dit meisje denkt, voelt, hoe ze is. Het verhaal is klein, het personage is groot.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen