Afgelopen week stuitte ik op een stuk in Trouw dat ik heb gelezen en een paar keer heb herlezen maar waar ik nog steeds erg weinig van begrijp. Het gaat over kapstokvrienden. Het gaat over huidskleur. Het gaat over het duiden van racisme.
Voor ik hier iets over ga zeggen wordt er nu door mijn lezers eerst een kleine check gedaan. Wat is mijn huidskleur? Even wat foto’s op facebook of google opzoeken. Die leren deze lezers: Van Mersbergen is zo bleek als wat. Dan gaat het niet alleen om huidskleur, dat is tegenwoordig ook de kleur van mijn woorden.
In het artikel stelt Babah Tarawally (voor zijn naam staat dat het een column is): ‘Mijn kapstokvrienden gebruiken mij als alibi om hun gedrag tegen donkere mensen, ook al is het racistisch van aard, goed te praten.’
Dat is een moeilijke zin. Kapstokvrienden is een mooi beeldend woord, maar de rest is wat cryptisch. Tarawally is zwart en heeft vrienden die niet zwart zijn maar hem gebruiken als alibi voor… Waarvoor eigenlijk? Om hun gedrag goed te praten. Gedrag tegen donkere mensen. Blijkbaar doen die vrienden iets tegen donkere mensen. Racisme. Maar wat doen ze? Waarom wel vertellen dat die zogenaamde vrienden iets niet goed doen, maar niet wat ze dan niet goed doen?
Daar snap ik natuurlijk niks van, als bleke. Ik hoor die reactie al. Inderdaad, jij bleke begrijpt er niks van.
Maar ik ben wel een lezer die de kans wil hebben er wel iets van te begrijpen, vandaar dat ik vraag: waarom niet vertellen hoe dat racisme zich uit?
En daarnaast, ben ik mogelijk een kapstokvriend, zonder dat ik het door hem, voor mijn gekleurde vrienden? Die vraag stel ik mezelf, hij staat niet in de column. Ik hou het graag persoonlijk.
Luister ik naar muziek uit Senegal of Mali omdat ik buiten die muziek racistisch ben? Wil ik mijn medemens laten zien dat ik eigenlijk wel deug als ik zeg dat ik Boubacar Traoré en Nuru Kane op Spotify aangestipt heb? En hoe uit zich mijn racisme verder? Iedereen aan te raden trouwens, die muziek. Of moet ik eerst screenen of ik racisten geen zwarte muziek aandraag en ze zo een smoes geef. Dat zou ook nog kunnen.
Ik luister muziek. Ik luister graag blues, ik luister graag de voorloper van de blues.
Verderop in de column blijkt dat racisme een besmet woord is. Wordt in Nederland niet over gesproken, bestaat niet. Maar het bestaat wel!
Die ontdekking is interessant en daar moet iets aan gebeuren. Ik doe graag mee, maar dan wil ik wel weten wat die kapstokvrienden doen, en ook wat ik als witte kapstokvriend mijn zwarte vrienden aandoe, zonder dat ik het weet.
‘We zijn in Nederland zo bang voor racisme dat we een muur rond het woord hebben gebouwd. Het woord racisme is besmettelijk, het jeukt en irriteert. Praten over racisme brengt ernstige schade aan de gezondheid toe.’
Opvallend: Tarawally houdt het bij het woord racisme. Een muur rond het woord, een besmettelijk woord, praten over…
Dus in een geschreven column wordt gesteld dat er een taboe is op een woord, maar in plaats van te vertellen wat het woord in doen en laten omvat wordt met even schimmige woorden en zinnetjes gestrooid.
Aansluitende reactie staat in de column: ‘We zitten nog in de ontkenningsfase.’
Dat is gemakkelijk te duiden, daar zit ik ook in.
Misschien biedt de laatste alinea duidelijkheid.
‘Jarenlang wilden we in Nederland niet geloven dat racisme ook hier bestaat. Niet in ons kikkerlandje. We keken al wensdenkend weg als we het zagen. Door weg te kijken, gaven we kans aan racisten om te broeden. En nu ze verspreid zijn, nu ze lopen en rennen, willen we hen manen om te stoppen.’
We wilden niet geloven dat racisme bestaat in Nederland. Wie zijn ‘we’? Is dat iedereen, of zijn dat bepaalde groepen?
We keken weg. Iedereen keek weg?
We gaven racisten de kans om te broeden? Waarop? Wat moest er uitgebroed worden? Is er een achterliggend groot racistisch plan?
‘Nu ze verspreid zijn…’ Het kuiken is al uitgebroed, en verspreid. Ze lopen zelfs al, ze rennen. Dezelfde we – ik heb de indruk dat het om bepaalde groepen gaat – ‘willen hen manen om te stoppen.’
Volstrekt onduidelijk wat hier aan de hand is. Het is te laat, dat begrijp ik. Het lijkt ernstig, dat voel ik. Maar waarom niet het plan uitvouwen, al is het alleen om de lezers die dit niet begrijpen een handvat te geven. Of wil de schrijver altijd het argument kunnen gebruiken: zie je wel, jij snapt het niet?
Ik lees de slotwoorden. Samen racisme bestrijden. Ik knik. ‘Doorbreken met een vuist.’
Ik ben geen voorstander van het heffen van de vuist, zeker niet als ik maar half weet wat er doorbroken moet worden.
Vertel wat er speelt, ondanks het geopperde taboe. Anders krijgen lezers het idee dat het taboe in dienst staat van het probleem.
In een eerder stuk maakt Tarawally wel aan de hand van een sprekende gebeurtenis duidelijk hoe racisme er opeens is. Dat verhaal vertelt mij meer, zeker ook omdat de verbinding aangegaan wordt, op een festival waar hij zich ‘mengt in een swingend wit gezelschap, en vergeet dat hij zwart is.’
In dat stuk geen kapstokvrienden en vage dubbele petten. In dat stuk komen mensen samen, omdat verteld wordt wat er gebeurt. Het zijn geen gekleurde woorden, het zijn woorden die kleuren.

»

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen