Inmiddels zijn de sneeuw en het ijs alweer verdwenen, je zou bijna vergeten dat het ooit koud was, en toch denk ik sinds die mooie zaterdag iedere dag aan het geluid van brekend ijs. Het was min acht. De haven lag nog net open, tenminste, de bredere stukken. De kleinste bootjes lagen al vast. Op hoop van zegen gingen we de haven uit en tuften we langs rietkragen om een paar kreekjes verderop tegen het eerste ijs aan te lopen en de boot er zachtjes overheen schoot, met brommende motor. We keken allemaal naar het ijs dat scheurde, ongeveer een centimeter dik. Nergens schaatsers trouwens, we waren echt ver van de bewoonde wereld. IJsplaten schoten over elkaar. Het leek wel glas. Scherven schoten naar het riet. Het was de helderheid die zo imponerend was, in een geluid van de motor en het krakende ijs daar bovenuit. Na een paar honderd meter was er weer open water. We zochten een plekje om even rustig te liggen. Aan de andere kant van een wilgenbos waar hertjes wegschoten was een bruggetje, een dijk, en achter die dijk elektriciteitsmasten, een auto in de verte, daar lag de wereld die we even ontvlucht waren. Het geluid van het brekende ijs was die dag zo mooi. Natuurlijk, we waren met vrienden bij elkaar, en we hadden een kacheltje en voldoende te eten en te drinken en warme kleren aan, maar dat zijn allemaal zaken die te voorspellen zijn en te herhalen. Het geluid van dat ijs niet, en daarom herklinkt het gelukkig nog in mijn hoofd, iedere ochtend, eventjes, als de muziek van deze winter, nu het lente wordt.

Jan van Mersbergen