In november 2022 zal, zo is de planning, mijn non-fictieboek over Carnaval verschijnen. Ik heb al heel veel geschreven. Ergens op de eerste bladzijden, in een verkapt bedankje, staat een stukje over de stilte die je soms opeens treft, vlak voor, tijdens of na het feest. Een stilte die bijna even bepalend is als het feest zelf en die wel past bij deze lawaaierige Vastelaovesmaandag, de dag waarop ik zo graag met mijn vrienden en familie in Venlo had gestaan, of zoals ik ooit rijmde in een nooit uitgebracht vastelaovesleedje: ‘In de kroegen, op de Mert, met m’n vrienden, bier en liedjes, en verder niks dan det.’

*

Mensen halen Carnaval van zolder, maken zich klaar, en vertrekken. Daar moet ik als eerste aan denken.

Om Carnaval te begrijpen moet je eigenlijk op een Carnavalsdag in een huis gaan staan dat door Carnavalsvierders achtergelaten is. De mensen laten hun huizen achter, en de rust die daar gedurende die dagen heerst is ook Carnaval. Er zijn wel sporen: schmink, wat kleding, reservehandschoentjes, een veertje van een boa, een pan soep op het vuur. Verder: stilte.

Het is een belangrijk kenmerk: Carnaval vier je niet thuis, onmogelijk. Mensen klonteren samen in het centrum van de stad, op dat moment het centrum van de wereld. Mensen die in de stad wonen vluchten soms weg. Het is allemaal te begrijpen.

Welk verhaal vertelt de stilte van een achtergelaten huis van Carnavalsvierder? Dat het leven nu even anders is. Op zondagmiddag is het normaal gesproken druk in zo’n huis. Er wordt voetbal gekeken. Kinderen hangen op de bank, oma breidt een sok, het ruikt er naar suddervlees dat drie uur moet staan, daar is tijd voor.

Tijdens Carnaval een tikkende klok, terwijl verderop, waar alle mensen zijn, de tijd niet meer bestaat. Die klok tikt voort, maar weet misschien ook dat hij dat alleen maar doet omdat het gewone leven straks zal terugkeren. De klok weet dat iedere seconde tot dat weekend aftellen was, en aftellen is anders dan gewoon het tellen van de tijd.

De kamers ademen anders. Er ligt een slaapshirtje klaar op een kussen, voor straks. Er staat een teiltje klaar voor de jongste die voor het eerst nu echt biertjes gaat drinken. De tandenborstel staat klaar, maar veel tandenborstels zullen vergeten worden de komende nacht.

Ik stond ooit in een verlaten huis op Carnavalsmaandag. Het huis was veranderd in een radiostudio, ik moest praten op de radio, over Carnaval. Ik kwam daar binnen en voelde de stilte van een huis waar het leven uit meegenomen was. De mensen die daar woonden vierden feest, namen al hun ziel en zaligheid mee naar dat feest. Anders is Carnaval vieren niet mogelijk. Het huis was heel erg stil.

Een boek over Carnaval moet beginnen met een bedankje, en dan dat huis. Die stilte.

Het zijn de nachten na de bevalling, als het kindje slaapt, voor even. Als de vogels nog niet de ochtend aankondigen met hun gezang. Als je je ogen al hebt gesloten maar nog net niet slaapt, je armen en benen loom aan je lijf, alles eigenlijk al in rust behalve je hoofd. De rust, de alertheid, wakker zijn en toch bijna slapen.

«

Jan van Mersbergen