Stevig boek, dik boek: De uitzichtlozen. Zoals de roman van Biamonti waar ik laatst over schreef het Italië van deze tijd laat zien, laat deze roman het Frankrijk van nu zien, en op een erg mooie gedetailleerde, soepele, invoelbare manier.
De roman lijkt traag op gang te komen, met een zomers openingshoofdstuk dat speelt in 1992. Hoofdpersoon Anthony is veertien. Het plaatsje ligt in Noord-Frankrijk. De oude industrie bestaat niet meer, de kolenmijnen zijn gesloten. Het leven is kalm maar de mensen hebben weinig perspectief. Belangrijkste stelling van Mathieu: ben je aan de onderkant van deze Franse samenleving geboren dan wordt het nooit wat met je, of je nou een Franse of Marokkaanse achtergrond hebt.
Over perspectief gesproken… Mathieu bouwt met zijn vertelling deze roman dusdanig op dat de verschillende personages dichtbij komen. En in eerste instantie neemt hij afstand.
De verteller lijkt een ouderwetse derde persoons, die duidend is en Anthony en de andere personages laat zien, maar soms lijkt die vertelstem de stem van de jongen zelf.
Een typerend voorbeeld, als Anthony terug naar het terras in de tuin bij zijn ouders gaat, die wat zitten te drinken:

‘Daar proostten ze, waarna Évelyne hem vragen begon te stellen. Ze wilde weten hoe het op school ging, wat hij in de vakantie deed. Anthony gaf ontwijkende antwoorden en ze luisterde naar hem met een welwillende glimlach, die bruin zag van de nicotine. Om de avond door te komen had ze twee pakjes Gauloises meegenomen. Als het gesprek werd onderbroken, kon je haar ademhaling horen, een hees vertrouwd gefluit, en dan stak ze er weer een op. Op een gegeven moment wilde Anthony’s vader een grote wesp wegjagen die de verpakkingen van blokjes smeerkaas wou plunderen. Maar omdat het diertje zich daar niks van aantrok, ging zijn vader een elektrische vliegenmepper halen. Die deed bzzz: een brandlucht, het beestje lag nu op z’n rug.’

Duidelijke scène. De verteller volgt hier Anthony, maar een aantal zinnetjes zou ook door die jongen verteld kunnen zijn. ‘Ze wilde weten hoe het op school ging.’ Dat is zijn waarneming. ‘Die bruin zag van de nicotine.’ Dat zag Anthony ook. Dat gefluit van zijn de vrouw, volgens mij zijn buurvrouw, dat kon hij horen. ‘Om de avond door te komen…’ dan kan Anthony ook denken. De beschrijvingen van de wesp en de vliegenmepper, dan is wat de jongen ook allemaal zag, op dat moment.
Deze verteller is bijna een ik-verteller, en steeds weer schakelt Mathieu soepel terug naar de vertelling die toch echt van hem zelf is, in de derde persoon, op afstand, met beschrijvingen en informatie, zoals over die wesp en zijn vader.
Het is alsof hij even dichterbij komt, inzoomt, iets laat voelen wat het personage kan voelen, iets zintuiglijks, om dan snel weer uit te zoomen, voordat de lezer compleet het gevoel krijgt naar een ik-verteller te luisteren.
Bijzonder knap technisch proza, dat totaal ongemerkt bij de lezer binnenkomt. Terwijl je wel in een verhaal gezogen wordt dat vanaf de start logisch is: oorzaak – gevolg voor gevorderden.
Anthony leer een meisje kennen op een strandje, er blijkt ergens een feest te zijn, met zijn neef gaat hij erheen op de oude motor van zijn vader die daar niks van mag weten, bij het feest is het mooie meisje, maar ook een Marokkaanse jongen die de motor jat. Daarna staat er nog een hoop te gebeuren, de aanzet is in ieder geval dwingend.
NRC noemde de roman: ‘Met vaart geschreven in de nuchtere taal van alledag.’ Dat klopt, het boek heeft vaart, maar taal van alledag is niet alleen eenvoudige spreektaal, het is een vertelling zonder gewiekste analyse die bijzonder slim invoelbaar maakt wat die jongen voelt door steeds een stapje naar die jongen toe te doen.
Verhaal boven opinie, personages boven schrijver.
Trouw stelt: ‘Toch stemt Mathieu’s mooie roman de lezer merkwaardig genoeg niet somber maar eerder elegisch en melancholiek. Dat is te danken aan de grote empathie waarmee het boek geschreven is, de vertedering waarmee de auteur al zijn personages beschrijft, de liefdevolle blik die hij heeft voor de ogenschijnlijk onbeduidende details die het dagelijks leven uitmaken. De maatschappelijke analyse is vlijmscherp, maar de schrijver weet zijn relaas vrij te houden van elke vorm van bitterheid.’
Schrijven met empathie, vertedering en een liefdevolle blik klinkt geweldig, maar dit is wat de recensent voelt, niet hoe Mathieu schrijft. Natuurlijk heeft Mathieu empathie, want de personages en hun achtergrond en het verhaal doen hem wel wat, je voelt de woede over die sociale misstanden, het zijn de zintuiglijke waarnemingen die de schrijver laat zien en die de leer vrijwel als vanzelf aan de jongen toedicht die maken dat de lezer voelt wat er met deze mensen aan de hand is. Vlijmscherp, maar vooral technisch heel sterk.
En somberheid en bitterheid, daar weet Mathieu zich ver vandaan te houden, dat is een les die Franse schrijvers uit het werk van Houellebecq kunnen halen: iets toevoegen aan die venijnige, en in Serotonine zeer geslaagde, bittere maatschappijvisie is vrijwel niet te doen.
Dus laat Mathieu zien en laat hij de lezer voelen. Heel mooi.
Deze Anthony, met zijn zielige ouders, een moeder die sentimenteel is en een vader die na een paar pilsjes opgefokt wordt, met hun bestaan net boven het minimum maar erg ver weg van de rijken waar het feestje plaatsvindt, met hun kleine hobby’s en verzetjes. Het doodnormale Franse leven waarvan je, als je romans leest, bijna zou vergeten dat het bestaat. Ook dat is een verdienste. Geen doorgewinterde cultuurfilosofen die emmeren over kunst en maatschappij in Parijs maar geklungel in de provincie dat de maatschappij zelf is. In Nederland ook een belangrijk verschil dat de literatuur ten goede komt.
Naast dat overdrachtelijke van zijn proza speelt Mathieu met de verteltijd. Heel onopvallend. Vrijwel alles wordt in de verleden tijd verteld, maar in een hoofdstuk waarin de moeder van Anthony, Hélène, naar het zwembad gaat lees ik plots een paar bladzijden die in de tegenwoordige tijd verteld worden. Vanaf ‘ze duikt.’ Dan is ze in het water, denkt ze aan mannen, voelt ze haar lichaam. Ook dit heeft niets te maken met vaart of nuchtere taal, met elegisch of melancholiek, dit is puur technisch genieten dat aan recensenten voorbij gaat.

‘In het zwembad veroorzaakten de bewegingen van de zwemmers een ver geruis van schuim, een sprankelende, blauwe turbulentie. Aan het einde van hun baantje gingen de ervarener zwemmers plotseling over de kop en schoten dan onder water vooruit, gespannen en vaag zichtbaar. Hélène voelde hoe het zonlicht als een trage saus over haar jukbeenderen en neus gleed, de pijn op haar dijen. Ze had het warm, ze had het goed. Ze stond op en liep naar het water, stapte op de rand van het zwembad en zocht haar evenwicht. Ze strekte haar armen boven haar hoofd. In theorie was een badmuts verplicht. Ze duikt.’

Weer die zintuiglijke waarnemingen die allemaal van Hélène zijn, wat ze ziet, voelt, dat ze het warm heeft en goed. Dan weer een beschrijving, ze ging het water in. Dan duikt ze om afgewisseld met een paar terugblikken en een vervlogen herinnering door het zwembad te crawlen, de vrouw die vroeger bekend stond als ‘de mooiste kont van Heillange.’
Voortstuwend dwingend proza, waarin alle middelen die een verhaal bij de lezer op zijn gevoel kunnen werken benut worden.
Aan alle kanten gaat het natuurlijk mis met deze mensen. De titel van de roman dekt de lading. En toch is de roman minder uitzichtloos dan je zou vermoeden. Momenten van verlichting, klein geluk, een teken dat het toch goed lijkt te komen zijn er ook, en die momenten worden heel slim uitgebouwd en vergroot tot werkelijk glorieuze hoop die bij de personages en de lezer langer bij blijven dan het vastgelegde tobberige leventje van een Noord-Frans provinciestadje.
De personages worden ouder, met sprongen van twee jaar, en met ieder deel ligt het gevaar van herhaling op de loer. Niet dat de scènes zich herhalen, die zijn steeds slim en goed, en de ontwikkeling is mooi, maar het meeleven met deze mensen gaat zich herhalen. In die zin is deze roman zo perfect opgebouwd en sterk van overdracht: de sleur van het meeleven – iets wat eigenlijk een compliment zou moeten zijn – treedt op. Ik weet bij ieder hoofdstukje, in ieder deel, dat ik weer met deze personages mee zal gaan.
Alweer…
Het is bijna wachten op een mislukt hoofdstukje dat ertussendoor geglipt is, en dat gebeurt steeds niet.
Een ander kritisch punt kan ik niet verzinnen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen