De beste wensen hadden we de dames van de supermarkt al een dag eerder gewenst, dat hoefde die vrijdag niet meer.
Mijn jongste zoon stond op het krattenrek van de kar. Hij kent de vrouw van de groente en de vrouw die achterin de supermarkt de schappen controleert en vult. hij kent ook de vriendelijke slager en de vrouwen van de kassa, maar die zagen we nu niet. De twee vrouwen kwamen samen naar ons toe, bij het fruit.
Heb je papa gisteren nog van het werk gehouden? vroeg de een.
Mijn zoontje glimlachte maar zei niks.
En vandaag? Weer thuis?
Hij knikte voorzichtig.
Ik vertelde dat we de hele week samen thuis zijn, met nieuwjaarsdag er ook nog bij, maar dat was een soort zondag.
Later bij de melk en de kaas spraken we die ene vrouw alleen. Ik zei dat het wel opschoot met mijn boek, al was het veel werk.
Dat lijkt me ook, zei ze.
Vrouwen van de supermarkt kunnen moeilijk inschatten hoeveel werk een boek is, ze kunnen wel goed praten met klanten die zo maar even door de winkel gaan.
Ze liet me haar handen voelen. Die waren koud.
Ik sta in die koeling steeds, zei ze. Niks voor mij.
Vervelend, zei ik. die kou.
We spraken nog even over Oud en Nieuw en over de regen die weer aanwakkerde, en toen duwde ik de kar met mijn zoontje erop langs de deuren van de koelingen naar het brood. Ik pakte nog een pakje feta mee. Mijn zoontje zei: Dan moet je de verwarming aandoen.
Wat zeg je?
Als het koud is moet je de verwarming aandoen, zei hij heel serieus.
Oké, dat gaan we haar even zeggen.
Ik reed de boodschappenkar terug. Toen we bij de vrouw van de winkel waren zei ik: Wat moeten ze doen?
De vrouw van de winkel zat voor de koeling, ze keek omhoog.
De verwarming aanzetten, zei hij.
Dat is een goed idee, zei ze. Al vindt de baas dat niet zo goed. En in de koelcel kan dat niet. Maar toch bedankt.
Doei, zei mijn zoontje.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen