‘Westad deed zijn jas aan en trok geïrriteerd en met een ruk de rits omhoog.’ Dit kleine zinnetje van de Noor Jo Nesbø is exemplarisch voor veel thrillers en gaat vooraf aan een ander exemplarisch zinnetje over vertellen en tijden, allemaal in De zoon, (vertaald door Annelies de Vroom).

Allereerst die rits en de irritatie die dat bij mij oproept. Als een personage geïrriteerd is, wat ik al wel af kan leiden uit wat er gebeurt of wat hij zegt, dan moet die irritatie toch toegevoegd worden aan de handeling: een rits dichttrekken. Ook nog eens met een ruk. Het is allemaal wat dubbelop.

In die passage zegt Westad zelf: ‘Hij laat niet veel ruimte om te geloven,’ en dat is precies wat de tekst met de lezer doet: dit proza laat weinig ruimte om zelf de beelden voor je te zien. Die rits, die irritatie en die ruk, alles wordt voorgekauwd. Prima, want thrillerlezers gaan in teksten waar weinig wordt voorgekauwd op zoek naar de spanning achter het verhaal, en als ze dat niet een twee drie vinden in de tekst, dan worden deze lezers onzeker. Daarom vertelt Nesbø voor de zekerheid hoe deze politieman zich voelt en hoe hij zijn rits sluit.

Daarna volgt een andere opvallende alinea: ‘Westad haalde zijn schouders op. Een vriendin van het slachtoffer. Zij had gezegd dat het slachtoffer haar had verteld dat haar echtgenoot, Yngve Morsand, haar had beschuldigd van ontrouw en gedreigd haar te vermoorden.’

Vooral die laatste zin houdt me bezig. Er was een eenvoudig gesprek, een verhoor, en daar komt een vriendin van het slachtoffer in voor. Die, en nu komt het, heeft iets gezegd, en dat ging over dat het slachtoffer haar weer iets had gezegd, dat haar echtgenoot haar had beschuldigd en bedreigd. Allemaal in de voltooid verleden tijd (ben ik allergisch voor), maar daar gaat het nog niet eens om. Ik las de zin vijf keer, ik begreep hem wel, maar ik begreep de constructie niet.

Waarom het zeggen over het vertellen in een gesprek? Waarom niet: ‘Een vriendin van het slachtoffer kreeg van haar man het dreigement dat hij haar zou vermoorden, omdat ze volgens hem ontrouw was.’ Nog niet helemaal lekker, het kan nog strakker, maar er staat hetzelfde zonder het zeggen en vertellen.

Door dit soort zinnetjes maakt De zoon op vrijwel iedere bladzijde een zoekende puzzelende lezer van me, en niet omdat er een misdaad wordt opgelost moet worden of er ergens een plot opdoemt, maar omdat ik de vertelling niet begrijp.

Expliciet en ingewikkeld proza, een wonderlijke combinatie, alsof de schrijver veel wil vertellen, maar de woorden niet kan vinden en zijn personages maar laat praten.

Dat gaat samen met een derde storend element: het gebruik van zinnetjes die beginnen met een werkwoord, zoals bijvoorbeeld de beschrijving in de allereerste alinea nadat een man naar de muur staarde: ‘Beet op de iets te grote gouden voortand in zijn onderkaak.’

Zo’n zinnetje waarbij ‘hij’ wordt ingeslikt vertelt meer over de verteller dan over de man die beschreven wordt, en zijn gouden tand. Nesbø gebruikt vaker die constructie. Het is goed te volgen, maar het bekt niet lekker en er hapert iets tussen de verteller en de toehoorder. ‘Beet op de iets te grote…’ De verteller slikt een woordje in en ik wil weten waarom. Die gouden tand ben ik alweer vergeten.

Soms gebruikt Nesbø dit vertellen over vertellen en het inslikken van woorden in één zin: ‘Ik heb het doorverteld aan je vader, gezegd dat hij gevaar liep, dat de politie in actie moest komen.’ Dat ‘gezegd’ staat los in de zin, waarschijnlijk omdat het tempo omhoog kan en het personage al een half hoofdstuk aan het woord is, toch leest het niet lekker.

Personages die praten tegen een ander personage over wat iemand verteld heeft tegen weer een ander personage, ik ging erop letten en het was vermoeiend.

‘Ik ontkende, ik zei dat ik je vader kende en dat hij alleen maar geprobeerd had informatie uit me los te krijgen. Toen zei Nestor dat als jouw vader geloofde dat ik een mogelijke informant kon zijn, dat ik dan naar jullie huis kon gaan en dat hij voor mij wel open zou doen.’

Wat zegt u? Zeggen, kennen, proberen, los krijgen, zeggen, geloven, kunnen zijn, kunnen gaan… Erg veel werkwoorden, maar geen handeling. Het is praten, denken, redeneren, kletsen.

Wat er gebeurt: de verteller geeft het woord steeds aan een personage, en die personages praten krom. Het zet de lezer op een enorme afstand van het verhaal. Je krijgt de informatie wel mee maar het gesprek zoals hierboven is tussen de zoon uit de titel en een andere gevangene, in een cel. Een verteller die dat complete gesprek kent heeft de taak daar een soepel verhaal van te maken. Nesbø kiest voor een letterlijke weergave. Dat vult de bladzijden, maar houdt het verhaal op.

Ik had dus nogal wat moeite met het lezen van deze dialogen, zelfs zo zeer dat het spannende verhaal over een vader en een zoon en duistere drugsdeals me niks meer deed. Jammer. Een spannend verhaal dat opgebouwd is uit de schokkerige dialoogflarden zoals De zoon schuif ik na een bladzijde of tachtig weer terug in de boekenkast , of liever nog: in een doos op zolder.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen