In een van de eerste hoofdstukken van Feniks van Deon Meyer (vertaald door Jacqueline Caenberghs) gaat het over geïmporteerde spullen, uit Amerika. Ik vond het een rare zin want ik was er op dat moment van overtuigd dat het verhaal zich in Amerika afspeelt, dus waarom dan spullen uit datzelfde land importeren.
Feniks speelt in Zuid-Afrika, en daar heb je alleen erg in als je de Hollandse namen of plaatsnamen tegenkomt. Het boek is heel sterk geschreven en wat wel vaker bij politiethrillers gebeurt: dan maakt mijn lezershoofd de slag: dit moet wel in Amerika spelen.
Zuid-Afrika is niet alleen literair sterk, met Coetzee, Van Niekerk en Gordimer, ook worden er kwalitatief goede thrillers geschreven, met een van de bekendste vertegenwoordigers van dat genre Deon Meyer.
Al jaren laat Deon Meyer zien dat hij zorgvuldig een verhaal op kan bouwen, dat hij zijn karakters erg goed uitwerkt en dat hij overtuigend een puzzel bij elkaar weet te brengen. In dit boek is Mat Joubert de hoofdpersoon, collega van de andere hoofdpersoon die Meyer vaker op laat draven Bennie Griessel. Al op de achterflap staat dat Joubert levensmoe is, en daarin schuilt een groot gevaar. Lezers willen geen hoofdpersoon die niks meer wil. Zelfmoord, als dat het enige is wat een personage nog wil, dan blijft er geen verhaal over, laat staan een spannend verhaal.
Meyer begrijpt dat en laat Joubert nog net voldoende wil in zich hebben, in deze thriller wordt het ‘vuur’ genoemd. De vaak gebruikte term bij schrijflessen is: ‘een strevend personage’. Beginnende schrijvers zullen veelvuldig met die term geworsteld hebben, ervaren schrijvers gaan automatisch met dit gegeven aan de slag. Waar het op neerkomt: een personage moet willen leven.
Mat Joubert heeft twee jaar terug zijn vrouw verloren. Dat sloopt hem, nog steeds. Als hoofdofficier van politie behandelt hij moordzaken, maar hij is niet fit en weinig gemotiveerd. De nieuwe korpschef De Wit wil daar iets aan doen, stuurt erop aan dat Joubert bijvoorbeeld stopt met roken en gaat sporten. Daarnaast is de tienerdochter van de buurman verliefd op hem en vraagt Joubert zich af wat hij daarmee moet. Dat buurmeisje heeft ‘het tere vlammetje van lust aangestoken,’ waardoor Joubert merkt dat hij nog wel iets wil. Hij leeft.
En toch, de dood van zijn vrouw Lara draagt hij met zich mee, bijvoorbeeld als hij van het buurmeisje wegloopt. het is op oudjaarsdag en hij heeft een paar biertjes op.

‘Hij loopt als een vluchteling naar zijn huis, zijn gedachten op zijn bestemming geconcentreerd, niet op wat er achter hem ligt. Het gejuich van het nieuwe jaar klinkt op. Voetzoekers, zelfs een trompet.
Zijn huis. Hij loopt tussen de bomen en struiken, de perken die Lara heeft aangeplant, worstelt met de sleutel, loopt de gang door tot in de slaapkamer. Daar staat het bed waarin hij met Lara sliep. Daar is haar kleerkast, nu leeg. Daar hangt het schilderij dat zij op een vlooienmarkt in Groenpunt heeft gekocht.’

Dat zijn mooie zakelijke zinnetjes die heel secuur vertellen wat er met deze man aan de hand is. Soms is Meyer beeldender, bijvoorbeeld als Joubert in het mortuarium is om een slachtoffer van een moord te bekijken.

‘Lara’s dood heeft zijn muur neergehaald, want hij weet dat zij ook hier heeft gelegen. Beelden, opgediept uit zijn ervaring, hebben geholpen om de scène te reconstrueren. Naakt, op haar rug, schoon en steriel, haar slankheid voor de wereld ontbloot, maar zonder effect.’

Hier benoemt Meyer een beeld dat hoofdpersoon Joubert niet zelf heeft gezien maar dat hij zich voorstelt omdat hij dit wekelijks ziet, en Lara overkwam dit ook.
Weer iets verderop gebruikt Meyer een vergelijking.

‘Hij weet opeens dat hij de afgelopen twee jaar een drenkeling was. Hij dobberde aan het oppervlak van zijn bewustzijn, te bang om in het donkere water te duiken.’

Of het nou beschrijvend is, in gedachten of aan de hand van een vergelijking, Meyer weet het personage van Joubert op al deze manieren diepte te geven die je zelden in thrillers tegenkomt. Meestal hebben de personages een eigenschap, zien ze eruit zoals politiemensen in films eruit zien, de laatste jaren hebben ze vaak een gek trekje of een bizarre hobby, en dat is het dan wel. Joubert is een zeer geslaagd personage, en Meyer weet zijn geestestoestand zelfs expliciet te benoemen, zoals wanneer hij in therapie moet op last van de korpschef, want hij is al een tijde in de war en moet hier zelf over nadenken, en nog past dit in zijn sterke proza.

‘De hemel weet dat zijn hoofd in de war was. Was? Kan iemand zijn eigen geestestoestand correct beoordelen? Hoe normaal was hij toen hij bij Macassar naar drie verbrande lijken keek en hun stem in zijn oren kon horen? De hoge, schrille oergil die de geest uitschreeuwt wanneer hij het lichaam tegen zijn zin moet verlaten; zijn volume versterkt door de schreeuw van het vlees tegen de pijn van de vuurdood, van iedere pijnreceptor die door de intense hitte wordt verzwolgen.
Is dit normaal?’

En iedere lezer begrijpt zijn gemoedstoestand, die ver heen is, en toch invoelbaar en te begrijpen. Dus je leeft het gehele boek met Joubert mee.
Als Joubert gaat zwemmen, bij een zwemgroepje dat de businessclub wordt genoemd, laat Meyer subtiel zien dat hij wat dikker is geworden:

‘Hij is het enige lid van de businessclub die zaterdagochtend. De kleedkamer is stil en leeg. Hij kan het pompen van het zwembad buiten horen. Hij trekt zijn Speedo aan en merkt dat die te krap zit. Hij moet vanmorgen nog een andere gaan kopen. Hij loopt door het pierenbad en de geuren en geluiden woelen herinneringen los, brokstukken uit zijn jeugd. Het voelt goed aan om hier terug te zijn.
Het water strekt zich rimpelloos oor hem uit. Hij duikt erin en begint te zwemmen, vrije slag. Na dertig meter is hij uitgeput.’

Er zijn moorden, er zijn bankroven, maar ik lees een erg sterk boek over een man die toevallig politieman lijkt. Ik lees thrillers vaak niet om de spanning, om de angst, om de horror, dat zijn vaak erg opgeklopte elementen en ook vaak nog heel beroerd opgeschreven. De Vrij Nederland Detective & Thrillergids staat ook dit jaar weer vol thrillers waarin het om die lege spanning gaat, en waarin de lezer struikelt over erbarmelijke zinnen, platte personages en een hijgerige toon.
Feniks is een beetje thriller, het is veel meer een roman over verlies. Dat is al spannend genoeg.
Mat Joubert is een verliezer, hij weet het.

‘Misschien heeft De Wit het bij het rechte eind. Misschien is hij een verliezer. Het tegenwicht voor voorspoed. Misschien is hij een vuilnisbelt van de goden, waar alle donkere gedachten en ervaringen, tegenspoed en ongeluk als kernafval worden begraven. Geprogrammeerd om als een spons de schaduwen op te zuigen opdat er licht zou zijn. De Dood, dit grote roofdier, volgt het bloedspoor van Mat Joubert met kwijl dat van zijn slagtanden druipt en in de zwarte aarde verdwijnt. Opdat de mensheid vrij zal zijn.’

Ik hou van proza dat vertellend, beeldend, metaforisch en tegelijk spannend en eenvoudig is en toch lagen raakt die je als lezer niet zo snel voor je ziet maar wel opgeroepen worden. Cormac McCarthy kan dat, tijdens het lezen van deze thriller van Deon Meyer moest ik vaak aan McCarthy denken, die de beelden soms ook over elkaar heen laat tuimelen maar altijd controle houdt.
Na honderdvijftig bladzijden worden de moorden en bankroven aan elkaar gelinkt, komen er meer verdachten, kortere passages, en zoals dat in een thriller hoort gaat het tempo omhoog en wordt het raadsel opgelost. Ondertussen probeert Joubert aan zijn gezondheid te werken, eet hij groenten en fruit, gaat meer en meer baantjes zwemmen, bouwt hij een boekenkast voor de science-fictionpockets die hij leest en wordt hij verliefd. Hij ontdekt: hij wil nog heel graag leven.
Ontwikkeling van personage gaat samen met het oplossen van de misdaden. Bekenden van de slachtoffers maken een netwerk en de oplossing komt dichter en dichterbij.
Feniks is een voorbeeld van een geslaagde literaire thriller. Straks is het juli en zomervakantie, voor die tijd schaf ik alvast nog een paar Deon Meyers aan. Dan heb ik de zekerheid van een geslaagde leeszomer.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen