In Rocamadour kun je een rots beklimmen die honderden jaren geleden ook door mensen beklommen werd om bij een heilige plek te komen. Ik heb een zwak voor dit soort religieuze plaatsen en vooral voor de verhalen die er hangen.
Het is een plaatsje, een stad, van amper 600 inwoners. De weg de rots op is zwaar. Het is een trap en er is een kronkelpad dat flink omhoog gaat langs beelden uit het verhaal van de kruisiging van Jezus.
In de twaalfde eeuw leefde daar Sint Amadour als kluizenaar. Zijn lichaam is in de rotsen gevonden, volledig intact. Hoe kan dat? Ik zoek geen antwoord op die vraag, de vraag is voldoende om interesse te hebben. Niemand hoeft van kwakzalverij beschuldigd te worden. De verhalen zijn echt, ook al zijn ze verzonnen.
In de lijvige roman De oorlog van het einde van de wereld van Mario Vargas Llosa draagt een vrouw een zelf getimmerd kruis Brazilië door. Ze heet María Quadrado. Ontberingen zijn er veel, ze houdt vol en bereikt de plek bij een geloofsgemeenschap waar een rots is. Daar blijf ze wonen. Het wordt een plek van devotie.
In Rocamadour kun je, als je de overige toeristen en het treintje waarmee je ook een stukje van de rots op kunt wegdenkt, die plekken voelen: hoe afgelegen het is, hoe vochtig en treurig, en wat een opoffering het moet zijn geweest om juist daar te leven, met afstand tot andere mensen. Het gewicht van dat bestaan. Soms hebben mensen juist die verhalen nodig, zelfs als je in onze tijd in een middagje de rots kunt beklimmen en met de auto weer terug naar je vakantiehuis kunt rijden.
De devotie van María Quadrado bestaat nog. Die devotie moet ergens zijn. In taal.
Als een ander belangrijk personage uit de roman van Vargas Llosa, de Raadgever, preekt voor zijn volgelingen, waaronder María Quadrado, staat er: ‘Hoewel zijn toespraak religieus en diepgaand was leek het op zo’n gezellig gesprek na tafel, wanneer de mensen op straat met elkaar zitten te praten in de frisse avondwind.’
Luister goed naar die gesprekken. Tijdens het tafelen, in de frisse avondwind, zoals afgelopen dinsdag in een mooi huiskamercafé op de markt, in de schaduw van een kerk, waar zes schrijvers samenkwamen en spraken over het schrijven, over scheidingen, over het eten van eitjes, over geld en andere wereldse zaken om uiteindelijk de waarde van vooral het samenkomen en het praten in te zien.
Het was een stil café. Er was geen muziek. Alleen wat stemmen uit een andere kamer. Een man zei herhaaldelijk: ‘Alles wordt alleen maar erger.’ De kastelein liep zonder dienblad heen en weer. Op de ronde tafel lag een dik tapijt. Onder de trap was een pisbak waar we amper rechtop in konden staan.
Op een gegeven moment werden we door de angst gegrepen dat dit prachtige café een toeristische plek zou worden. De Rocamadour van de Amsterdamse horeca. Die angst heb ik niet echt. Niemand zal dit café weten te vinden, zeker buitenlandse toeristen niet, maar ook Amsterdammers niet. Ook niet na dit verhaaltje. Je vindt die plek alleen als je met de devotie van een kluizenaar of pelgrim je dorst wilt gaan lessen.
Religieuze plekken zijn niet alleen ver weg tussen de rotsen in Frankrijk. Iedereen draagt die devotie met zich mee, bij voorkeur naar plekken waar wat te drinken is.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen