‘Jemig, as we toen wisten wat we nou weten,’ zei Reeny. ‘Dan had ik al die eikels die d’r an wilden zitten gewoon hun gang laten gaan.’

Nan haalde haar tong wellustig langs de binnenkant van haar lippen. ‘Wat zanik je nou? Jij hebt die benen van je nooit bij mekaar kennen houwen.’

Kort gesprekje in een overvolle flat in Glasgow. De roman Shuggie Bain, van Douglas Stuart, (vertaling: Inger Limburg en Lucie van Rooijen), past in de traditie van Britse literatuur die grofweg te verdelen is in volkse literatuur en kasteelromans. Het volkse, daarbij zoekt Stuart moeiteloos aansluiting. Iers, Schots, Welsh, maakt niet uit. Roddy Doyle, Irvine Welsh, Dylan Thomas, Frank McCourt, John Healy, allemaal bezingen ze de volkse ellende op het Britse eiland. Heerlijke tegenhangers vaak tegen de Britse romans die in de betere klassen spelen, ook de moderne romans, van schrijvers die uit diezelfde klassen kwamen. De kasteelliteratuur.

Jane Austin was van aderlijke komaf, weliswaar uit de lagere regionen, maar toch. Net als Emily Brönte, de middelste van drie schrijvende zusjes, kon ze het aan het begin van de negentiende eeuw veroorloven te schrijven, een ongekende luxe. James Joyce had de luxe om in Parijs een ingewikkeld meesterwerk te kunnen schrijven. Virginia Woolf piekerde zich suf in de Victoriaanse upperclass met een vader die literatuurcriticus was. Meer naar onze tijd toe blijft in de Engelse literatuur de adel trekken, vooral als decor. Ian Mc Ewen schreef met Atonement een roman die in een kasteel met fontein speelt en waar een natuurlijk een dichter in ronddoolt, net als Hollinghurst die eenzelfde decor gebruikte in Kind van een vreemde. Allemaal bijzondere schrijvers, die allemaal ver van de laagste regionen van de Britse samenleving staan.

Nu is literatuur geen wedstrijdje in wie de meest ellendige achtergrond had. Douglas Stuart schrijft met zijn eigen achtergrond als bagage, en dat levert in ieder geval geen kasteelroman op. Hij komt uit een gezin in Glasgow dat door zijn vader al gauw verlaten werd, waardoor hij met zijn alcoholistische moeder achterbleef. Zijn moeder stief toen hij 16 was. Dat verhaal vertelt Stuart, in een roman. Hij weet waar hij het over heeft. Dat weten de schrijvers van kasteelromans ook, ze staan alleen wat verder van me af.

Shuggie Bain opent met wat er van Shuggie geworden is, in 1992: een jongen die in een supermarkt werkt. Gevoelig, gay, klein in de zin van: in een klein wereldje, aandoenlijk. Vrouwen en mannen zitten aan hem. Je hoopt steeds dat hij het allemaal wel redt.

Dan een stapje terug, naar 1981, naar zijn moeder Agnes. In een flat in Glasgow. Ze staat op haar balkon en wil in de eerste scène haar bordeauxrode fluwelen jurk (toch een beetje sjiek) aan de stad laten zien. ‘En vooral wilde ze het een goed op een zuipen zetten, een beetje lol maken.’

Dat is wat Stuart doet: de jongen die hij was en zijn moeder beschrijven in een complete vertelling, met veel duiding die alleen te verdragen is omdat je weet dat alles zo werkelijk was. In die zin staan Frank McCourt en John Healy echt dichtbij: ook zij vertelden in hun romans hun persoonlijke verhaal over een tragisch gezin, alcoholisme, verveling, allerlei randverschijnselen van de laagste klasse in Engeland. Ik heb een zwak voor die verhalen.

Ook heb ik een zwak voor lekker vertelde verhalen. Dat doet Stuart. Voorbeeld:

‘Ze dansten vrolijk rond in hun nieuwe beha. De vloer veerde onder het gewicht.’

Dat is in eerste instantie een vrij expliciet zinnetje. Vrolijk lijkt wat vlak en simpel. Maar het gaat over een stelletje vrouwen die in een flat kaarten, wat drinken, de tijd doorkomen met elkaar, en gaan dansen. De toevoeging van de nieuwe beha, die ze allemaal van een van de vrouwen gekregen hebben, dat is daarvoor al beschreven, maakt het dansen grappig.

De tweede toevoeging, dat de vloer veerde onder het gewicht, maakt de situatie opeens weer compleet en dan gebruikt Stuart geen duiding, zoals schrijvers met minder finesse zouden doen. In hun idioom zou de vloer ‘vervaarlijk deinen onder hun gewicht.’ Stuart vertelt wat er gebeurt, voegt soms net even iets toe, om het grotere geheel niet uit het oog te verliezen en tevens laat hij precies op de juiste momenten de juiste ruimte aan de lezer om die deining van de vloer voor je te zien. Het vrolijke is echt uitleg, het deinen is een beeld. Die afwisseling is erg knap.

De alinea wordt afgesloten met een uitstapje naar de mannen van de vrouwen, die bankzitters genoemd worden, en een vooruitblik in de tijd: ‘Het stond nu al vast dat die arme bankzitters thuis het later die avond nog zwaar te voorduren zouden krijgen. Stinkend naar bier en azijn zouden de vrouwen boven op ze klimmen. Ze zouden giechelen en zweten, maar zich dankzij hun nieuwe beha weer even vijftienjarigen wanen. Ze zouden zich tot op hun kapotte panty uitkleden en hun zwiepende borsten bevrijden. Niets dan dronken opengesperde monden, warme rode tongen en zwaar, log vlees. Puur vrijdagavondgeluk.’

Vooral de afsluiting vind ik herkenbaar, geestig en sterk uitgedrukt. Zo gaan die dingen, in die kringen. Kom daar maar eens om in een kasteelroman, waarin de dagen inwisselbaar zijn en er geen onderscheid wordt gemaakt in geluk, in vrijetijd of werktijd, alles is ondanks de zo veel betere omstandigheden vergeven van de loomheid dat je er depressief van wordt, terwijl hier de hoop gloort op geluk en de personages dat nog gaan aanvallen ook.

Als de vader van Shuggie ’s avonds laat een huisvrouw in zijn taxi krijgt die vertelt dat haar man zijn baan verloren heeft en dat hun twee zonen ook moeten eten en ze net bij de voormalig werkgever verhaal is gaan halen, waar ze te horen kreeg dat die zonen beter naar Zuid-Afrika kunnen gaan, volgens Shuggie sr. om diamanten uit de grond te delven, zegt de vrouw:

‘Nou ’t ken me niet schelen wat ze daar opgraven, al trekken ze drop bij die zwarten uit hun reet. Ze horen hier thuis, in Glasgow, bij moeders pappot.’

Om zo’n zin, uitgesproken door een fictieve Schotse huisvrouw in de jaren tachtig, dus bijna veertig jaar terug, moet ik hard lachen, en tegelijk voel ik schaamte omdat je in werkelijke leven in onze tijd zoiets helemaal niet meer kunt zeggen. Dat is wat er in veertig jaar veranderd is. Het staat er niet, die verandering, maar je voelt hem wel. Het maakt me duidelijk dat Stuart zijn boek en de stemmen in zijn boek laat bestaan zonder dit op een of andere manier af te zetten tegen de huidige tijd, dat doen de lezers van nu zelf wel.

Op dat moment in de roman, als de vader gevolgd wordt, moest ik ook denken aan Laat me niet vallen, van Willy Vlautin, omdat uit dit personage dezelfde hulpeloosheid spreekt, gekoppeld aan vastberadenheid en zelfoverschatting. IJzingwekkende combinatie. Stuart maakt dat allemaal heel invoelbaar in zijn sterke vertelling. Hij maakt echte scènes, kruipt soms in het hoofd van deze vervelende macho van een vader, maar stapt er steeds net op tijd weer uit om te tonen wat hij werkelijk doet.

»

Jan van Mersbergen