Het aquarium beslaat de complete muur van het restaurant. De achtermuur is donker en er zit verlichting boven het water, de vissen glimmen goud en geel en blauw, zoals de vissen van Paul Klee die altijd tegen een donkere hemel lijken te zwemen.

Hendrik en zijn zoon, die inmiddels al vijftig is, gaan aan een hoge tafel bij het raam zitten. De krukken zijn eigenlijk te hoog en de rugleuning is te klein, toch vindt Hendrik het wel goed, want vanaf die plek kan hij naar de straat kijken.

Het meisje van de bediening is Turks. Ze spreekt vlot Amsterdams en is vriendelijk. De zoon van Hendrik bestelt twee Turkse biertjes en als het meisje terugloopt naar de bar vraagt Hendrik hoe het met de school is van zijn kleindochter. Die heeft zo ongeveer de leeftijd van het meisje van de bediening.

Goed, goed, zegt zijn zoon en er volgt een lang verhaal over de moeder van het meisje, die verhuisd is naar Haarlem. Hendrik kijkt uit het raam. De twee Turken aan het terrastafeltje drinken thee. Er rijden onophoudelijk auto’s lange waar opvallend genoeg vrijwel altijd drie of vier mensen in zitten. Dat kent Hendrik niet. De achterbank van de auto wordt waar hij vandaan komt zelden gebruikt. Alleen als mensen met z’n allen ergens heen gaan en weer terug moeten naar dezelfde plek, zoals carpoolen, maar dan naar een pretpark of zo.

Het meisje brengt de biertjes. Ze proosten niet. Het bier is koud, lekker, doet Hendrik goed. Er passeert een groepje: twee moeder, een rits kinderen en een oud vrouw die wat achterblijft. Hendrik probeert naar hun ogen te kijken, onder de hoofddoeken. Een van de kinderen ziet hem zitten. Hij steekt zijn hand op en het meisje zwaait terug.

Vanaf dat moment is hij thuis op deze plek, met een klasgenootje van zijn kleindochter, zo stelt hij zich voor, dat eten brengt, vlees van de grill en rijst en salade, en een enorm aquarium langs de zijmuur, en mensen die hem gedag zeggen.

Zijn zoon lijkt zich iets beter te voelen dan de vorige keer toen hij hier op bezoek was, toen hij nog op die kleine etage in de stad woonde en er voor zijn dochter eigenlijk te weinig plek was zodat hij haar amper zag, en hij moeite had opdrachten te krijgen voor zijn werk. Niet dat Hendrik veel van dat werkt begrijpt, het geklaag begreep hij wel.

Hij moet denken aan de speeltuin vroeger bij hem in de streek waar je op moest passen voor de splinters in de glijbaan, waar je pannenkoeken met spek kon eten, waar rood-wit geblokte tafelkleden lagen, waar hij als kind in de keuken stond om de kok de bakken met ijs aan te wijzen waar hij een bolletje van wou.

Toen het meisje vroeg of alles gesmaakt had en de borden meenam en ze nog een pilsje dronken dacht hij aan die keuken en het ijs, al die geluiden om hem heen, de sissende pannen en het beslag dat door een enorme kom geroerd werd. Er verandert niks, dacht Hendrik. Er verandert niks.

Die gedachte hield hij vast tot het meisje weer bij hun tafeltje was en vroeg of ze een toetje wilden. Zo zei ze het: toetje. Hendrik vroeg of ze ijs hadden, en het meisje knikte. Een stuk of zes soorten. En toen vroeg Hendrik: Mag ik de bakken zien?

Zijn zoon keek hem even vreemd aan, maar het meisje reageerde heel kalm en zei: Natuurlijk. Loop maar even mee. Hij volgde haar naar de keuken die helemaal tegenover de vissen lag, achter een bar. Er was een smalle doorgang. Hendrik zei een man gedag die glazen spoelde, en toen kwam hij in de keuken waar zo te zien drie generaties Turkse koks rondcirkelden. Hij zei hallo, het meisje wees hem de vriezer. Het was geen vriezer met een doorzichtig deksel, als een vitrine. Ze deed de klep open.

Die en die en die, voor mijn zoon ook, zei hij. Het meisje noemde de smaken van het ijs. Haar stem was duidelijk, boven de geluiden van de keuken uit, en even stond Hendrik weer als een jongetje van acht in de keuken bij de speeltuin. Het meisje glimlachte naar hem alsof ze zijn gedachten kon lezen.

Hij had vanille gekozen, pistache en citroen. Hij wist dat zijn zoon van citroen hield. Het meisje liet die bakken op het keukenblad staan en zei tegen een jonge kok: Drie bolletjes, twee keer.

Hendrik ging terug naar het tafeltje. De mannen op het terras rookten sigaretten. Zijn zoon vroeg hem of hij wat lekkers uitgekozen had. Hendrik knikte. Drie bolletjes, zei hij. En straks gaan we van de glijbaan.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen