Als een van de laatste passagiers kwam een man door het gangpad geschuifeld in een opvallende korte broek. Je zag aan hem: hij draagt nooit een korte broek. Dat zag ik aan zijn benen, aan zijn knieën, en aan de broek zelf, die te nieuw was, een te modieuze kleur had, waar zijn poloshirt ingepropt zat.
De broek was blauw. Een zachte Zuid-Franse pastelkleur, zoals de lucht daar soms in de ochtend blauw kan zijn. De randjes van de broek waren omgeslagen.
De man droeg de broek een beetje ongemakkelijk, maar dat liet hij niet merken. Hij zocht zijn stoel, daar richtte hij zich op. Hij keek naar de nummers boven de rijen, de bagagevakken waren al gesloten.
De man in de korte broek had een tasje in zijn hand, hij had een bril op, licht golvend haar, maar de blikvanger was zijn korte broek.
Ik was niet de enige die de blauwe korte broek gezien had, gedragen door een man die bijna de pensioenleeftijd had bereikt, die een prima werkcarrière had gehad, die bijna kon gaan rusten, in zijn korte broek in de tuin van zijn tweede huis aan de Zuid-Franse kust. Maar nu moest hij weer even naar Nederland, deze ochtend begon de nieuwe werkweek, en hij had wat moeten schuiven maar kon op maandagochtend terug naar de zaak komen, in zijn korte broek.
Mijn Haagse vriend die acht rijen voor me zat, had de broek ook gezien. Hij draaide zich om, zijn schouder tegen de rugleuning, en riep me.
Jan, Jan!
Ik hoorde hem. Wat?
De man in de korte broek was bijna bij me, en mijn Haagse vriend riep:
Jan, vraag effe waar hij dat broekie heb gekocht, dan kunnen wij volgend jaar ook in zo’n broekie hiero weer naartoe!

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen