Hij zat bij zijn vader achterop de fiets en met twee handen hield hij zijn bamboehengel vast. Ze passeerden de kerk. De verlichte wijzers van de klok en de twaalf streepjes schoven door de duisternis. Bij de garage ging zijn vader de bocht om en ze kwamen bij de rand van het dorp en daalden af, de polder in waar in de verte boven de horizon een smalle streep blauw hing. Zijn vader wees het aan en zei: Kijk.
Rechts van hem lag de snelweg, waar lichtjes overheen gleden. Zonder geluid te maken. Hij volgde een paar witte koplampen. Ze verdwenen een moment achter het benzinestation en doken toen weer op, kleiner, en heel zachtjes deed hij het geluid van een motor na.
Zijn vader nam een smal landbouwweggetje waar boerderijen aan lagen. Hij kon de snelweg niet meer zien. Bij een van de boerderijen draaide een spoor van modder het asfalt op en tot de brug bij het kanaal zoog de modder aan de banden van de fiets. Zijn vader zette de fiets tegen de metalen brugleuning en hielp hem er vanaf. Hij zette zijn hengel op het wegdek. Zijn vader keek naar het water en naar de strook blauw in de lucht, die breder was nu.
Wil je aan die of aan die kant?
Die.
Ze liepen naar de oprit, stapten de akker op en liepen naar het water, naar de lage visplekken, zijn vader voorop. Bij de eerste visplek zei zijn vader: We kunnen beter daar gaan. Daar hebben we maar ruimte.
De jongen bleef staan. Hij keek naar de brug en zei: Vorige keer zaten we ook hier.
Zijn vader keek hem aan, zette toen zijn viskoffer op het vlakke deel bij het water en zei: Goed dan. Hij haalde het klapstoeltje van zijn schouder, zette het naast de koffer en vroeg of hij moest helpen met zijn hengel. De jongen knikte.
Mama denkt dat je het zelf kan.
Ik kan het niet.
Zijn vader haalde de postelastieken van de stukken bamboe en schoof de stukken met de metalen uiteinden aan elkaar. Daarna begon hij met zijn eigen hengel. De jongen keek toe. Toen de hengels in het gras lagen klapte zijn vader de viskoffer open en vroeg hem welk tuigje hij wilde.
Maakt niet uit.
Deze?
Hij knikte en zijn vader gaf hem het tuigje. Het zat op een klosje gewikkeld.
Dat ding zit vast.
Zijn vader haalde het klemmetje van de bovenkant, gaf hem het rubberen ringetje dat aan de lijn zat en wikkelde het tuig af, legde het naast de hengel.
Moet ik dat topje er ook nog om doen?
Er kwam geen antwoord en zijn vader schoof het ringetje om de top van de hengel. Hij maakte zijn eigen tuig ook vast en keek hem aan. Wil jij het net er dan misschien in hangen?
Jawel.
Zijn vader haalde het leefnet uit het onderste deel van de koffer, gaf het aan de jongen en die ging naast het stoeltje staan en wilde het net in het water gooien. Zijn vader hield hem tegen. Zachtjes, zei hij en hij pakte hem het net weer af, liet het in het water zakken en sloeg de lus om de viskoffer.
Als laatste zette zijn vader het bakje maden in het gras en deed er één aan zijn haak en één aan die van de jongen, en toen was alles klaar, en niet veel later zaten ze naast elkaar op de kleine visplek, zijn vader op het deksel van de viskoffer, hij ernaast op het klapstoeltje, allebei een hengel in de hand, en ze keken iedere naar hun eigen dobber.
Ze hebben de mijne al gevonden, zei zijn vader. Maar ze bijten nog niet door.
De jongen voelde dat er ook aan zijn lijn getrokken werd.
En bij jou? vroeg zijn vader.
Niks.
Na een tijdje hield het zachte trekken aan de draad op. Zijn vader deed een paar keer een nieuwe made aan de haak en het werd langzaam licht en de jongen keek naar de brug waar het weggetje overheen liep en wachtte op de auto’s.
Het duurde lang. Zijn vader ving een paar voorntjes en toen kwam de eerste auto, een Opel. Hij minderde vaart voor de brug, terwijl de weg volledig vlak was. Toen de Opel verdwenen was en de weg een tijdje stil was haalde zijn vader een brasem uit het water.
Dit zijn de goeien, zei hij toen hij de vis in het leefnet deed.
De jongen knikte.
De bovenkant van de zon werd zichtbaar, het water glansde. Er volgden kort na elkaar een paar auto’s, een grijze, een blauwe, een groene en nog een blauwe, die voorbij tuften, en zijn vader haalde zijn hengel op, controleerde het aas, liet de haak weer in het water zakken en zei: En nou een grote.
Zijn vader wachtte, gaf toen een paar keer een ruk aan zijn hengel en sloeg opnieuw een brasem aan de haak, even groot als de eerste.
Hij haalde de vis binnen en vroeg aan de jongen: Wil jij hem eraf halen?
Nee.
Jij wilt toch leren vissen?
De jongen bleef stil op zijn stoeltje zitten. Zijn vader hield de vis in zijn hand, net voorbij de kieuwen.
Echt niet?
Toen zijn vader de vis in het net had gedaan en ze weer naar de bobbers keken naderde vanuit het noorden een ongelofelijk donker en zwaar geluid. De jongen keek naar de brug en naar de weg die in de verte oploste en vanuit de polder doemde de auto op. Wat een geluid. Ondanks dat het nu licht was brandde zijn koplampen en voor hij het wist waren geluid en licht bij de brug, de auto was rood en het rood flitste tussen de openingen van de brugleuning door. De auto reed niet in een rechte lijn, de man in de auto stuurde bij en hij stuurde tegen en een wiel ging door de kiezels die op de brug lagen en de kiezels sprongen op en een waaier van plonzen lag op het water.
Zijn vader vloekte.
Over zijn schouder keek de jongen de auto na. Hij had brede banden en een streep op de zijkant, zoals sommige van zijn autootjes ook hadden. De auto schoot achter een boerderij langs, nam een bocht en was niet meer te zien. De jongen kon het geluid nog een hele tijd horen.
Zijn vader haalde zijn hengel op. Hij liet de lijn naar zich toe zwieren, pakte de haak, trok de made eraf en gooide het aas in het water.

»

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen