Ooit kookte Sergio Herman tijdens het filmfestival van Vlissingen, voor publiek en jury. Dat jaar was ik een van de juryleden, onder andere samen met Abdelkader Benali en Michiel Romeyn. We zaten aan een grote ronde tafel. We kregen grote borden met hele kleine hapjes. Michiel en ik wilden een biertje drinken. Dat was niet te krijgen, alleen speciaal geselecteerde wijnen. We dronken een biertje, staand aan de bar verderop in het festivalpaviljoen. Toen we weer terug kamen stond er een ander bord, met een stukje koolraap en een nog kleiner stukje kabeljauw erop. De smaken die op de borden verstopt zaten proefde ik niet, ik had dorst en na uren aan die tafel had ik nog steeds honger.
Afgelopen week was ik met vakantie in Zeeuws-Vlaanderen en zag ik op een frisse avond een tv-programma met Sergio Herman, in feite het enige uurtje tv dat ik zag. Sergio Herman komt uit Oostburg. Daar zaten we een paar kilometer vandaan. Er groeit daar graan, er groeien aardappels, veel kool. Nu was hij op reis in Mexico. De aflevering in Aziƫ had ik de week ervoor al gezien. Ik zag hem proeven en om zich heen kijken en opeens begreep ik zijn eten wel. Hij at opgeblazen mieren, die een soort honing bij zich droegen. Hij proefde. Hij maakte er een mole bij, van chocolade. Hij zou dat terug in Zeeuws-Vlaanderen ook gaan maken, maar met witte chocolade, en met een oester. Toen begreep ik het.
Die koolraap kwam van zijn Zeeuwse platte land, die vis kwam uit zijn zee. De saus, dat weet ik niet meer. Ik wou dat ik het nu weer kon proeven. Toen in Vlissingen vergat ik te proeven.
Een kok moet proeven zoals een schrijver moet lezen. Bij alles wat ik lees word ik meegenomen naar een ander land, een andere cultuur, en wil ik proberen te begrijpen hoe die smaken mij iets doen, hoe ik de technieken kan gebruiken en wat dat eten van ver weg me vertelt over mij, een jongen uit de bintjespolder waar geen literatuur gemaakt wordt maar waar mijn ooms wel gesprekken voerden die altijd vlot waren, grappig, goed gebekt, en direct. Die stemmen zijn mijn schrijven, maar stemmen van de andere kant van de Maas hoor ik ook graag.
Dus ik keek naar een kok uit Zeeuws-Vlaanderen en dacht aan wat ik zou schrijven als ik weer terug was in Amsterdam, over dit land, over de verhalen van hier. In Vlissingen werden vierhonderd jaar terug kaperschepen ingezet om vijandelijke schepen buit te maken. Holland en Zeeland hadden geen officieel leger, ze huurden zeelui in, die moesten zeeslagen uitvechten. Soms ging dat goed, soms werd er verloren en werden de kapers buitgemaakt, onder andere door Moren. Met een verzekeringspotje dat beheerd werd in Vlissingen en waar scheepvaartmaatschappijen af en toe wat geld inlegden werden deze zeelui dan weer vrijgekocht.
Er zijn schrijvers die menen te moeten melden dat ze nooit werk van anderen lezen. Dat zijn koks die aan de rand van een aardappelveld opgegroeid zijn, die aardappelen rooien en koken, twintig minuten, die dat opdienen, en zeggen: Dit ben ik. Misschien een beetje zout en jus erbij, maar niet te gek.
Dit ben ik.
Ze hebben gelijk: het zijn aardappels, maar meer ook niet.
Ik proefde het verhaal van de kaperschepen aan zee, met grote containerschepen tegen de horizon. Ik kan me weinig voorstellen bij die mannen, op die boten. Maar ik schreef er nu wel een verhaal over.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen