In het speeltuintje in het Amsterdamse Bos vormde een hoge betonnen rand een zandbak. Er stonden graafmachines in, een takel met een zandbak eraan, een huisje. Mijn zoontje is soms wat schuchter. Hij speelde wel even met de takel, maar kwam toen naar me toe en zei: Dat andere kindje dacht dat ik daar niet mee mag spelen.
Er zat een jongetje onder de takel. Ik vroeg: Zei hij dat?
Mijn zoontje schudde zijn hoofd.
Kun jij zijn gedachten lezen?
Hij knikte.
Dat vond ik erg knap, en ik geloofde hem. We gingen terug naar de takel. Ga hier maar mee spelen en wat anderen ook denken, jij mag hier gewoon spelen.
Jij moet hier blijven, zei hij.
Ik blijf niet hier, zei ik. Ik ben geen waakhond. Ik ga daar weer zitten.
Later liepen we een stukje verderop naar het grote ondiepe zwembad die een azuurblauwe bak zonder water was die fel oplichtte in het zonlicht, dus ik zocht de schaduw. Waarschijnlijk zou water te veel mensen trekken, en dat kan in deze tijd niet.
Mijn zoontje speelde op de eilandjes die een rij naar de overkant vormen, later sprokkelde hij hout om een vuurtje te kunnen maken, maar dat deden we natuurlijk niet op deze plek.
Meisjes speelden hockey in het zwembad. De bal kon er niet uit, door de randjes. Dat was handig.
Wij zaten op een bankje en dronken een blikje koud bier. De horeca was weer open, we zaten ver weg van de horeca bij een zwembadje waar heel veel ruimte was. Er stonden acht bankjes en wij waren de enige mensen die op een bankje zaten. In het gras her en der nog wat mensen.
Toen we weer thuis waren zei mijn zoontje: Dat was een leuke dag.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen