Afgelopen weer bezocht ik een leuke leesclub waar mijn laatste roman besproken werd. Iedereen had het goed gelezen en had goede vragen. Heel mooi om te merken dat bepaalde keuzes in de roman voor een schrijver anders uitpakken dan voor een lezer.
Bijvoorbeeld in de laatste hoofdstukken, als het gezin, en ik zal de clou niet verklappen, het zoontje alleen ergens achterlaat. De lezers, allemaal vrouwen of moeders, konden dit niet geloven. Toch zit er een eenvoudige reden achter, en die heeft met de vertelling te maken. Ik heb de vader en de moeder in de roman wel een motief meegegeven: ze durven niet. Ze hebben smoesjes om niet mee te gaan. Het werk gaat door. En toch voelt het dus voor lezers vreemd.
Die keuze was moeilijk tijdens het schrijven. Vooral omdat het verhaal en de vertelling anders worden als de ouders wel mee waren gegaan. De indrukken op die nieuwe plek, het verblijf daar, alle details die daar nieuw zijn hoeven niet verteld, maar de indrukken moeten als waarde wel in de vertelling zitten. Dat zou het verhaal te veel een ander gewicht geven.
Wat me verder bijgebleven is van deze leesclubavond: een van de lezers vertelde dat ze soms moeite heeft met het ik-perspectief. Niet omdat de ik haar het verhaal vertelt maar juist omdat ze zich als ik soms moeilijk in kan leven in dat personage. De ik in het boek wordt voor haar als lezer een ik die ze zelf is. Is dat te volgen?
Ik had daar nog nooit zo over nagedacht, maar het opent wel een compleet nieuwe wereld. Mijn idee was: een ik in een roman vertelt het verhaal, liefst aan de lezer. Haar idee is groter en complexer: de lezer wordt de ik van het boek. Dat is pas inleven.
Het is zo ongeveer als een jij-perspectief waarbij de lezer direct aangesproken wordt. In Bright lights, big city gebeurt dat. Daar wordt de lezer aangesproken. ‘Je bent niet het type dat om deze tijd ’s morgens in een tent als deze rondhangt,’ is de eerste zin. De lezer heeft de opdracht om de jij van het boek te zijn. Iedere zin is een regieaanwijzing. ‘Je leunt tegen een pilaar…’ Zo gaat dat het hele boek door.
Maar een ik-vertelling kan natuurlijk ook zo opgevat worden. De lezer wordt de ik. Bijzonder scherp, en voor mij totaal nieuw. Het verandert bijna ieder verhaal dat ik in de kast heb staan.
‘Ik heb mijn vader niet gedood, maar soms dacht ik dat ik hem wel een eindje op weg heb geholpen.’ Dat is de sterke beginzin van De cementen tuin van Ian McEwen. Als je dat leest alsof je zelf die ik bent geeft dat toch een heel andere beleving dan wanneer je volhoudt dat deze jongen mij het verhaal vertelt.
‘Toen ik om vijf uur ’s ochtends in New Orleans aankwam regende het.’ Het is dus niet Bukowski die daar in Factotum aankwam, of zijn alter ego Henri, ik zelf kom daar aanrijden.
De blikken trommel: ‘Ik geef toe, ik ben patiënt in een psychiatrische inrichting…’
Alles leest anders. Lezen en de verteller worden, dat is een nieuw ik-perspectief.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen