Kippen zijn vreemde beesten. Dinosauriërs die op twee poten lopen, behoorlijk rechtop, lange nek, flexibel, en met veren. Ze kunnen wel vliegen maar doen dat zelden, alleen als ze bang zijn. Fladderen doen ze soms. Ze zijn verkeerd gebouwd. In mijn debuut uit 2001 staat een zinnetje over hoe kippen naar eten zoeken:
‘Hij zag hoe de poten van de kippen tussen het groen krabden, hoe ze steeds een paar vegen met hun poten gaven, een pas achteruit deden en keken wat er lag.’
Die pas terug, daar gaat het om. Als kippen met hun poten de grond loswoelen moeten ze daarna een pas achteruit doen om te kunnen zien wat ze losgewoeld hebben. Hun kop staat te ver naar voren, of de poten te ver naar achteren. Dat pasje is kenmerkend voor kippen. Eerst doen, dan kijken wat je gedaan hebt. Het is hun charme en ook hun gebrek.
Kippen zijn hiërarchische dieren. De haan is de baas, de hennen vechten elkaar dood om een plekje naast hem te bemachtigen. Het is niet anders. De haan bij mijn ouders was kleiner dan de kippen waar hij de baas over was – of zoals mensen zeggen: waar hij over waakte – maar dat deed niets af aan zijn autoriteit. Hij had mooie kleuren, als een vechthaan: geel en zwart en rood. De Belgische vlag op pootjes. Ik doopte hem Cesar. Geen enkele andere kip bij mijn ouders had een naam. Mijn pa komt van een melkveehouderij. Daar hebben koeien soms namen, maar meestal nummers.
Cesar was rustig, statig, fel. Hij had een vaste plek op de stok in het kippenhok van mijn ouders. Er zat altijd wel een knap hennetje naast hem, en zoals gezegd: om die plek werd gevochten.

Destijds woonde ik in het centrum van Amsterdam, met mijn toenmalige vriendin, nu mijn ex. Vage dromen van een buitenleven werden sterker. Ik miste het geluid van scharrelende kippen, ik miste de warmte van een pas gelegd ei, ik miste een broedse kip die drie weken stuurs op een paar eieren zit. Toen ik voor het eerst ging samenwonen duurde het niet lang voor ik het plan opvatte om op die binnenplaats kippen te gaan houden.
Ik haalde gaas, kocht er wat hout bij en de rest lag her en der in het oude huis. De berging was er al. Het meeste werk was om alle zooi die daarin opgeslagen lag op te ruimen. Ik weet niet hoeveel mensen ooit op de etages boven die gang gewoond hadden, maar ze hadden wel bijzonder veel troep achtergelaten. Fietsen, tegels, kleding, gereedschap, veel hout, zakken cement. Alsof iemand anders ook ooit het plan had gehad iets te gaan bouwen, maar dat was vergeten.
Van het hout en het gaas maakte ik een ren en van een oude bezemsteel die ik tussen de troep vond maakte ik een stok. Een oud raamkozijn werd de deur naar het nachthok. Een complete ren met hok, midden in Amsterdam, ik voelde me een koning. Er moesten alleen nog kippen komen.
Die haalden we op de Noordermarkt. Via via hoorde ik dat daar op maandagochtend naast de lappenmarkt ook wat dieren te koop werden aangeboden. Inmiddels is dat allemaal verdwenen, zal wel met regelgeving en hygiëne te maken hebben, dat is de meest moderne smoes om een dierenmarkt de stad uit te krijgen. In 1995 kon je kippen kopen op de Noordermarkt, maar ook cavia’s, hamsters, ratten, soms honden en katten.
Voor tien gulden kocht ik drie krielkippen.
De eerste drie kippen waren zeer verschillend: een zwarte, een witte en een bruine. Dan waren ze gemakkelijk uit elkaar te houden. Ze hadden ook alle drie een totaal ander karakter. De witte was sterk en dominant. Zat altijd op de beste plek op de stok, vlak voor het raampje. De bruine was dapper en moederlijk, zij was de eerste kip die broeds werd. De zwarte was lief en tam. Die kon je aaien.
Een broedse kip, dat moet ik uitleggen. Dat is een kip die eieren legt en daar vervolgens op gaat zitten. Broeden. We hadden geen haan, dus van bevruchte eieren was geen sprake, dat wist die bruine kip echter niet.
Ik wilde haar graag laten broeden en ik wilde haar niet voor niets laten broeden, dus toen we die kipjes een jaar of twee hadden, haalde ik bij mijn ouders een klein doosje eieren, van hun krieltjes waar wel een haan bij liep. Grote kans dat ze allemaal bevrucht waren. Die eieren verwisselde ik met de eigen eieren van de bruine kip, ik tilde haar gewoon op en ook al pikte ze me een paar keer, ik haalde haar eieren weg en legde de eitjes uit Brabant eronder. En verder broeden maar.
Is dat niet wat mensen samen ook doen? Samenwonen, samen broeden, een kinderwens? Het volgde elkaar als vanzelf op en als ik daar nu aan terugdenk dan is er een handeling die daar goed bij past: een pasje terug. De grond omwoelen, keuzes maken, zoeken, en daarna pas kijken wat er gebeurd is.

Er kwamen drie eitjes uit. Als er drie eieren uitkomen zijn er altijd twee haantjes en een hen. Dat is een regel, niks aan te doen. Dit keer was er één kipje dood net toen hij het ei uit kwam, een bruine hen redde het wel en dan was er nog een vreemd klein kipje, met een springerig veertje in zijn nek en een rare oogopslag, een gehandicapt kipje dat we Debieltje noemden. Die naam werd twintig jaar terug nog volop gebruikt voor mensen met het syndroom van Down. Dit kipje was geen haan of hen, het was een mislukt kipje dat meteen verstoten werd, maar door de lieve zwarte kip onder haar hoede werd genomen – dat was geweldig. Die zwarte kip bleek de oermoeder.
Ontkiemde in die tijd onze kinderwens?
Een jaar later was de bruine kip weer broeds. Ik herhaalde het tafereel en weer zat ze in het nachthok drie weken lang op eieren van mijn ouders. De blik die zo’n hen dan heeft, heel geconcentreerd en sterk, daar kon ik uren naar kijken. Dat jaar werden er weer drie kippen geboren: twee haantjes – zoals ik al zei – en een gespikkeld hennetje.
Een kindje – dat vraagt veel: een groot opgeruimd huis zonder lekkage, een kinderwagen, een veilige slaapplek, speelgoed. Flesjes en spenen die je uit kunt koken. Maar ergens is het ook eenvoudig: zorgen voor een kindje. Dat gaat toch vanzelf?
De hanen begonnen al snel te kraaien. Dat valt niet goed in een huizenblok in de Pijp. Er kwamen briefjes in de bus: of we de hanen het zwijgen op wilden leggen. Een oude truc, om boven de stok waar de haantjes zitten een stuk piepschuim op te hangen zodat ze zich niet uit kunnen rekken en dus niet kunnen kukelen, werkte niet. Ze zaten steeds op andere plekken. Dus bracht ik de hanen naar het Amstelpark, daar liepen toen heel veel kippen vrij rond. Later werden die kippen, en vooral de vele hanen, door de gemeente opgeruimd, want het werd een plaag. Te veel boerderijdieren in de stad, dat is een plaag. Allemaal werden ze afgemaakt, mijn twee haantjes waarschijnlijk ook.
Met de eerste generatie en daarnaast de bruine, de spikkel en Debieltje, hadden we zes krieltjes, en daarvoor was het hok iets te klein. Als kippen te weinig ruimte hebben, gaan ze vechten.
Was ons huis groot genoeg voor een baby?
De witte kip pikte de ouwe bruine bijna dood. Ze had een groot gat in haar kop en was veel veren verloren, zo zat ze helemaal in elkaar gedoken in een hoekje van de ren. De anderen negeerden haar, zoals dieren dat doen. De zwakkeren tellen niet mee.
In de tijd dat de ouwe bruine herstelde, sloot ik de witte kip op in een rieten mandje. Ze begreep dat ze straf had, want toen ze eruit mocht was ze een stuk rustiger.
Er werden nog een keer drie kipjes uitgebroed, dit keer door de bruine uit de tweede generatie. Weer twee haantjes en een mooi oranje kipje. Die oranje kip hielden we, het hok werd niet groter dus we moesten keuzes maken, zeker toen de gespikkelde kip ook ging broeden en twee hennetjes en één haantje voortbracht.
Het was iedere keer even spannend en prachtig om te zien hoe zo’n kuiken zich uit een ei werkt. Het kan uren duren. In Artis hebben ze er een speciale kas met warmtelampen voor. Wij hadden een echte broedmoeder, dus de meeste tijd zag je er niet veel van, behalve als ze even wat ging drinken of eten, dat doen ze zo’n twee keer per dag. Dan kon je even snel zien hoe ver de barstjes gevorderd waren.
Spikkel, wit en bruin uit de tweede generatie gingen naar mijn schoonouders, Debieltje met twee haantjes naar mijn ouders. Bleven er over: zwart, bruin en oranje. Mooi stel. En wat er ook overbleef en ondanks de bezwaren van het gammele huis en andere praktische problemen sterker en sterker werd: de wens om samen een kindje te krijgen.
Dat gebeurde, in mei 2003.

Ik weet niet meer precies wanneer er een einde aan de krieltjes kwam. In 2006 verhuisden we, toen onze zoon bijna drie was en het pand echt op begon te raken. De school in het gebouw erachter was al overgedaan aan een nieuwe eigenaar en de voorkant ging mee in die deal, we kregen bezoek van vastgoedmakelaars die ons eruit wilden hebben en we wisten het voor elkaar te krijgen dat ze ons een huurwoning een paar straten verderop aanboden. Geen boerderijtje dus, maar een etage op driehoog, en een zolder. Daar werd onze dochter geboren.
De kipjes waren toen al weg, ik denk dat ik ze naar mijn ouders heb gebracht, of naar mijn schoonouders van destijds, die ook kippen achter in de tuin hadden lopen.
De kippen waren op, die relatie was eigenlijk ook al op. De ren werd binnengevallen door ratten, die kwamen natuurlijk op het voer af. Kippenvoer ligt nu eenmaal open en bloot op de grond of in de ren. Ik probeerde de ze nog buiten te sluiten door fijnmazig gaas in te graven, maar toen ze daar doorheen knaagden en via een gang onder het gebouw toch binnen konden komen, was ik er wel klaar mee.
Net zoals ik in dat nieuwe huis al snel klaar was met de onevenwichtige gezinssituatie waar ik in terecht was gekomen. Ik deed een pasje terug, een flinke pas. Kijken wat ik omgewoeld had. Ik probeerde de ratten nog wel tegen te houden, maar ze knaagden zich door het gaas.
De kippen gingen weg. Ik ging ook weg.
Daarna heb ik nooit meer huisdieren gehad in Amsterdam. Inmiddels woon ik al ruim twee jaar ver buiten de ring.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen