Op een ochtend liep er een witte streep door de straat. We hadden geen school en ik speelde de hele dag buiten met Alex die beneden woonde, en toen we die dag op straat kwamen zagen we de streep.
Alex vroeg me waar die streep voor diende, maar aan zijn manier van vragen merkte ik dat hij geen antwoord van me verwachtte.
Ik vroeg: Waar gaat-ie naartoe?
Alex keek in de richting van de Amstel. Verderop in de straat, voor de tramremise, ging de witte streep de bocht om. Alex zei: Deze streep leidt naar grote wijsheid.
Alex keek veel Japanse tekenfilms in die tijd. Ik keek die films ook en ik zei, met zware stem: Aan het einde van deze streep vinden jullie de bron van alle leven.
Zullen we gaan kijken?
Ook nu was er geen antwoord nodig. Alex en ik liepen de straat op en we volgden de streep, de bocht om. Vrij snel hield hij op, iets voor de ingang naar de speeltuin. Zo maar.
Hij houdt op, zei Alex.
We bleven staan. Geen wijsheid, geen bron van het leven.
Gek, zei Alex.
Dat vond ik ook.
Toen we terug wilden gaan kwam er een man aan lopen. Hij liep midden op straat en had een hond aan de riem. De man zei tegen ons: Begint-ie hier of stopt-ie hier?
Tsja, zei Alex, alsof hij daar al aan gedacht had en toen begreep ik het ook. De hond kwam dichterbij, snuffelde aan het asfalt en voor hij bij ons was wees Alex de streep af, hij keek me aan en zei: Naar de bron van alle leven.
We liepen terug. We kwamen langs ons huis en volgden de witte streep naar de Scheldestraat. Daar werd de streep een beetje dikker en ging slinkend de bocht om in de richting van de drukke straat met de stoplichten. We liepen langs de geparkeerde auto’s aan de straatkant. Een vrouw op een fiets wilde ons voorbij en ik moest Alex opzij duwen. Iets voor het stoplicht was de streep weer dik geworden.
Hij gaat rechtdoor, zei ik.
Alex knikte. Wat doen we? vroeg hij.
Ik wist het niet. Ik zei niks, en ik weet niet hoe het kwam, maar ik wees Alex het zebrapad aan de andere kant van het fietspad. De mannetjes op de stoplichten waren rood en we drukten ombeurten op de knop, en toen het groen werd renden we naar de overkant, over de stoep de Van Woustraat in. Het was er druk. We bleven naar de witte streep kijken, tussen de auto’s en fietsers door. Af en toe slingerde de streep de trambaan op om er even later weer vanaf te komen. We gingen een gracht over en kwamen weer bij een druk kruispunt met stoplichten. De witte streep ging rechtdoor. Even namen we tijd om naar twee trams te kijken die op elkaar moesten wachten. Een van de bestuurders kwam naar buiten met een metalen pen die hij tussen het spoor zette, bij een wissel. Toen reden ze verder.
Alex en ik staken het kruispunt over. We waren nu toch al ver van huis. We liepen langs de Febo waar Alex wel eens met zijn vader naar toe ging, na het voetballen. Dat vertelde hij. Verder zei hij steeds: Naar de bron. Naar de bron.
De witte streep liep over het zebrapad bij de markt, over een stuk wit, en even was hij niet zichtbaar.
Bij een brede vierbaansweg keken we naar het verkeer. De streep sloeg met een ruime bocht linksaf.
Als we die kant op gaan hoeven we niet over te steken.
We volgden de streep aan de linkerkant van de drukke straat. Aan de andere kant was water. We kwamen langs tapijtwinkels, een supermarkt, een bank, grote huizen. Alex vroeg me of ik moe was. Ik zei van niet en hij zei dat hij ook niet moe was. Een heel stuk verderop ging de streep weer linksaf, kruiste de stoep waar wij liepen en ging een klein straatje in. Ook hier was het druk. Er stonden auto’s te wachten bij weer een andere supermarkt. Een vrachtwagen werd midden op straat gelost. Ik was gek op vrachtwagens en wilde blijven kijken, maar Alex zei dat we verder moesten.
De volgende hoek die de witte streep omging was de laatste, want een eindje de straat in hield hij op. We bleven staan. Er stond een auto op de parkeerplaats, de voorwielen op de stoep. De achterklep was open en onder de klep stond een man, gebukt. Uit een van de huizen kwam een vrouw gelopen. Ze ging schuin achter de auto staan.
Gaat het eruit? vroeg ze.
De man reageerde niet.
Of gaat het er niet uit?
Ga maar naar binnen, zei de man.
Alex prikte met zijn elleboog in mijn zij. Let op, zei hij. De bron.
De man keek even naar de vrouw en zei: Ga nou maar.
Gaat het er niet uit? vroeg de vrouw.
Hij kwam onder de klep vandaan, ging rechtop staan en zei: Wil je nog dat ik die troep eruit haal?
De vrouw deed een pas naar achteren, en bleef staan.
Als het er niet uitgaat moet ik nieuwe matjes hebben, zei de vrouw.
Die moet je toch wel hebben, zei de man.
Dan ga jij die maar halen.
Ik?
Ja, zei de vrouw. Jij reed.
De man vloekte zoals ik mijn vader nooit heb horen vloeken en Alex zijn vader ook niet. De man zei: Als jij niet zo lang in die winkel was blijven hangen.
De vrouw keek naar de auto, toen zag ze ons staan. Ik keek ergens anders naar, naar een boom, naar de voet van de boom, en daar zag ik een enorme emmer latex staan. Het deksel lag ernaast.
Ik hoorde de vrouw zeggen: Ik zei nog dat er een drempel was.
De man gooide de doek die hij in zijn hand had in de emmer en liep zonder iets te zeggen weg, weg van de bron.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen