Het was eigenlijk te koud om te gaan vissen, maar ik was klaar met een groot project, voorlopig, en ik had even iets anders nodig dan mijn tafel en mijn laptop, dus ik trok een extra jas aan, nam mijn vistas en mijn hengel mee en ging aan de vaart zitten vlakbij de sluis. Er zaten geen ganzen bij het opstapje waar ze het water in kunnen waggelen, en ook lag er minder kak dan anders. Het gras was nat van de nacht. Mijn dobber lag heel stil in het water.

Wat vissen doet is die stilte, zonder beweging en geluid, samenbrengen met een verwachting: vis. Dat is wel een beweging, en altijd onverwachts. Als de dobber beweegt, iets wat je bij sommige dobbers nooit goed kunt zien, maar bij mijn favoriete dobber van nu wel, dan voelt het als een schok die door de visdraad en de hengel je lijf binnensluipt. Vissen is elektriciteit.

Die ochtend duurde het niet lang voor ik beet had. Ergens in de diepte van de vaart, waar het ijzig koud en donker moet zijn, waar als het vriest toch echt bijna geen leven meer kan wonen, had een visje mijn bolletje witbrood gevonden. Een voorntje, voelde ik aan het voorzichtige trekken aan het tuigje. Snoekbaars gaan eerder voor maden, voor levend aas, met brood vang je voorntjes.

Ik haalde op. Niks. Weer laten zakken en weer wachten. De dobber weer op precies dezelfde plek zien te krijgen is een soort bijgeloof, want ook al weet je dat vissen nooit stil staan, die plek was het, dat was goud. Wachten en weer hopen op een schok. En toen voelde ik het weer, vanuit het koude zwarte water: eerst een paar korte schokjes, en toen nam een visje mijn dobber mee onder water.

Het was een stevig voorntje, dat blinkend in het ochtendlicht naar boven kwamen en de haak niet te ver had ingeslikt, dus ik kon hem gemakkelijk bevrijden en weer terugzetten. Het visje was heel rustig. Er zijn soorten die blijven spartelen, dit voorntje was het misschien wel gewend. Hoe kan zo’n relatief klein wezen ergens in dat water, bij de modderige bodem, leven en voedsel vinden en soortgenoten vinden en daar zijn, zoals ieder levend wezen ergens moet zijn en moet leven?

Hij schoot weg de duisternis in, met die vraag onbeantwoord. Vissen gaat niet om antwoorden, vissen gaat om vragen, over zaken die op het eerste gezicht niet zichtbaar zijn, of zelfs uiterst verborgen, en er dus helemaal niet lijken te zijn. Die vis had mij even ontmoet, en ik zag aan hem dat het een filosoof was. Een zwijgende filosoof die in alles vooral het leven zoekt.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen