Nadat ik Coyote Ugly voor de zoveelste keer op tv had gezien ontdekte ik dat de film gebaseerd is op een verhaal van Elizabeth Gilbert. Die naam kwam me bekend voor, van Eten, bidden, beminnen. Ik trof het boek in de tweedehands winkel in Zwanenburg. Het bleek een geweldig boek.

Eten, bidden, beminnen is het persoonlijke reisverslag van Elizabeth Gilbert door drie landen. Het is slim, goed verteld, grappig en vermakelijk. Ik moest vaak aan Cindy Hoetmer denken, de enige schrijfster in Nederland die ook zo onderkoeld, geestig en tegelijk meedogenloos over haar eigen leven kan schrijven. Niet voor niets zijn het generatiegenoten.

Ze vertelt over haar scheiding, liefdesleven, haar dromen, zoektocht naar spiritualiteit, reiswensen en het schrijven over haar reis naar Italië, India en Indonesië. Het zijn memoires, levendige herinneringen aan een bewogen jaar van deze schrijfster.

In de introductie vertelt Gilvert dat het boek 108 hoofdstukjes heeft, opgedeeld in drie delen van 36 hoofdstukjes, beide getallen bestaan uit cijfers die samen negen zijn, een heilig getal, omdat drie keer drie negen is, en drie staat in India voor het opperste evenwicht. ‘Voordat ik helemaal op de Louis Farrakhan-toer ga met dit numerologische gedoe…’ schrijft Gilbert dan, als voorbeeld voor haar toon. Ik weet niet wie Louis Farrakhan is, en dat maakt niet uit.

Als ze op een gegeven moment God ontdekt en hem aanspreekt, de schepper van het heelal, doet ze dat ‘alsof we net op een feestje aan elkaar werden voorgesteld,’ wat ze aanvult met: ‘Ik kon mezelf er nog net van weerhouden om te zeggen: Ik ben een groot fan van uw werk.’ Dat is grappig verteld.

Gilbert gaat dus naar drie landen. ‘In Italië wilde ik de kunst van het genieten bestuderen, in India de kunst van de spiritualiteit en in Indonesië de kunst van het in balans brengen van die twee.’ Duidelijk vooruitzicht, goed idee. Direct in Italië stelt Gilbert dat er ‘stelletjes zitten te zoenen alsof er een soort wedstrijdje aan verbonden is en half in elkaar verstrengeld op bankjes zitten, elkaars haar en kruis strelen en elkaar eindeloos besnuffelen, kussen en aaien.’ Dat ziet iedere lezer voor zich.

Bij de Italiaanse les zegt een Duitser waarom hij in Rome is, omdat hij gek is op la dolce vita.  Het zoete leven. Tussen haakjes voegt Gilbert toe: ‘Zij het dat het er met zijn stijve accent ongeveer uitkomt als het deutsche vita.’ Die verteltoon maakt dit boek erg vermakelijk.

Het is jammer dat ook Gilbert, ondanks haar losse toon en humor, verzandt in vrij langdradig zelfbeklag als het gaat over antidepressiva en de zooi waarin ze leeft, ongeveer op de helft van het eerste deel. Dat de schrijfster zegt die pillen niet meer te willen slikken omdat ze nu in Italië is, en daar is het leven te goed om depressief te zijn, dan volg ik haar, maar als ze toch dat pad verlaat en voornamelijk klaagt over hoe ze aan die pillen gekomen is, ga ik bladeren. Ik weet, het is mijn eigen allergie voor deze materie, ik heb er genoeg van gezien en over gehoord.

Gelukkig is dat pad kort, en schakelt Gilbert al snel weer over op persoonlijk onderzoek met een interessante visie op puriteins Amerika en het losse Italië. Hoe kun je in Italië volop genieten als Amerikaanse, met een steeds prikkelend schuldgevoel? Waarom is reclame in Amerika gericht op dat je ‘nu wel een biertje verdiend hebt’, terwijl in Italië geen reden gevonden hoeft te worden om van een biertje te genieten. Waarom werken Amerikanen hard en lijken ze het nog leuk te vinden ook en werken Italianen ook hard maar die vinden dat absoluut verschrikkelijk? Leuke vragen, die het boek weer terugbrengen bij het vertrekpunt: vlotte persoonlijke prikkelende non-fictie.

Nu moet ik toegeven dat ik vooral gericht was op het eerste deel van dit boek, in Italië. Als Amerikaanse vrouwen eenmaal in India gaan zoeken naar spiritualiteit, dan verandert alles, zeker een boek wat precies daarover moet gaan. Gilbert blijft een grappige toon houden, maar de afstand juist tot die spiritualiteit wordt groter en groter, terwijl de schrijfster zelf vanzelfsprekend meent een en ander te ontdekken en te leren. Eten in Italië, voetbaltaal en omgangsvormen zijn nog wel te behappen, India is een andere planeet, daar komt een eenvoudige Westerling nooit bij en iedere poging om bij die spirit te geraken verzand doorgaans in sentiment en leegte – wellicht de bedoeling.

In India draait de reis om yoga – eenwording. Ik ken veel mensen die yoga beoefenen en op een paar uitzonderingen na twijfel ik aan hun motieven, omdat veel eerder persoonlijke en sociale problemen de achterliggende redenen zijn, en yoga wordt ingezet als middel om hier iets aan te doen, zonder dat toe te geven. Het moet voor de locals in India bizar zijn dat hele Westerse volksstammen hun land bezoeken om uitgerekend yoga te doen, een splinterbeweging, en geen cricket. Hoe zouden we in Nederland aankijken tegen Aziaten die in onze Gereformeerde kerken psalmen opdreunen om een te worden met zichzelf, terwijl ze ook naar een voetbalveld, met kantine, kunnen gaan om werkelijk contact te maken met zichzelf en met anderen. U begrijpt: ik ben sceptisch, en sceptische lezers gaan bladeren. Naar Indonesië.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen