Ik stond te vissen in het zonnetje naast een wilg.
De boom had een enorm dikke stam, was twee meter hoog, en al heel vaak geknot, en ik zag aan de boom zijn strijd tegen het knotten. De takken die uit zijn bol waren gegroeid waren zeker vier of vijf meter lang, bijna net zo lang als mijn hengel, en aan de voet al zo dik als mijn polsen. Heel erg sterk.
Dat groeit in ongeveer een jaar. Van niks tot sterke takken die wel meebuigen maar niet zomaar te breken zijn. En die boom voedt dat vanuit zijn stam.
Toen ik dat zag herkende ik in alles die groei.
In een klein boompje dat tegen een gevel wortel had geschoten en nu scheef groeide zonder houvast, omdat er nu eenmaal een muur naast hem was. En toch groeien.
Een stuk riet dat vergeten was door de maaidienst van de gemeente. Drie meter hoog, in een klein slootje, het groeit maar door.
Op een stapel stenen bij een bouwplaats, waar volgens mij het geld op is want er gebeurt daar weinig meer, groeide een struik, ook al bijna een meter hoog.
Het blad viel, en de bomen en struiken en planten groeien maar door.
Toen ik weer thuis kwam dwarrelde er net een vlindertje op de rand van de schutting en daarvoor viel een blad van de druif op de tegels. De nieuwste takjes van de druif hebben nog wel blad, de oudste dikke tak – de moeder – niet meer. Ook dat gaat geleidelijk.
Ik ving overigens weer geen vis.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen