‘Zo weet je wanneer je te veel hebt nagedacht: wanneer het een dialoog wordt tussen Je zult waarschijnlijk kwijtraken en Je zult zeker kwijtraken. Maar ik hield niet helemaal op met nadenken, hoewel ik wel op een ander onderwerp overstapte. Het staat niet in het woord van God, maar het is menselijk genoeg om voor een worp even te proberen je voor te stellen wat de vis denkt, ook al is een van zijn eitjes net zo groot als zijn hersens en zelfs is het wanneer je onder water zwemt moeilijk voor te stellen dat een vis iets heeft om over na te denken. Maar evengoed hebben ze me nooit kunnen aanpraten dat het enige wat een vis kent honger en angst is. Ik heb weleens geprobeerd honger en angst te voelen, en ik zie niet in hoe een vis ooit tot vijftien centimeter zou kunnen groeien, als dat het enige was dat hij voelde. Sterker, soms ga ik zelfs zover me voor te stellen dat een vis mooie gedachten heeft.’
Schitterende passage uit een heruitgegeven boek uit 1976 dat Uitgeverij van Oorschot me toestuurde omdat ik de enige schrijver in Nederland ben met een visvergunning: Er stroomt een rivier doorheen, van Norman Maclean. Althans, dat neem ik aan. Naar wie moeten ze anders dit boek sturen? De geijkte leesdoelgroep ‘vrouwen van boven de vijftig’ kan weinig met dit boek. Dierenactivisten, vegetariërs, feministen, vijftigplussers, jongeren, grootstedelijke blaaskaken, hipsters, politieke vrijdenkers, piekerende filosofen, moralistisch ingestelde lezers… idem. Negenennegentig procent van het leespubliek valt af. Mij past dit boek perfect.
Het gaat, zoals het fragmentje toont, over wat vissen is: nadenken, over allerlei onderwerpen buiten het vissen. Het boek geeft aan dat er in het leven één verbindende factor is die alle zaken die het leven en opinie in de moderne maatschappij overstijgt: vissen.
Dat gaat het boek niet helpen, want hoewel er in Nederland twee miljoen vissers zijn heeft niemand in literaire kringen weet van de filosofische waarde en de maatschappelijke betekenis van vissen. Dat wordt simpelweg genegeerd. In plaats van de eenvoudigste weg te zoeken (vissen), bijten mensen zich liever vast in persoonlijke problemen, maatschappelijke onrust, bestuurlijke oplossingen, of een combinatie van die drie.
Leg die krant en dat opgefokte nieuws weg, ga vissen.
Dat is wat Er stroomt een rivier doorheen doet. Het is een boek dat aanzet om naar buiten te gaan, want na de passage waar ik zojuist mee opende leg ik het boek inderdaad weg, niet omdat ik niet meer wil lezen, maar omdat ik wil vissen om daarna, met een verwarmende kop koffie verder te lezen. Ik haal mijn hengel uit de schuur, zoek een tuigje, afhankelijk van de wind en golfjes, pak wat brood en loop naar de ringvaart waar een paar goeie visplekken zijn. Ik sta in de zon, het water is glad, ze bijten niet.
De gedachten die Maclean beschrijft zijn mijn eigen gedachten, tijdens het vissen. Niet de gedachten tijdens het lezen.
Het boek gaat echt over vissen. Na Hemingway schrijft bijna niemand meer over vissen. Niemand leest over vissen. Lezers willen lezen over families, over de oorlog, over kunst (daarover binnenkort meer), over liefde, over de dood, of een combinatie van deze thema’s. Vissen staat daar ver vanaf. In zeker zin willen mensen wel lezen over filosofie, maar dan alleen als het een verheven type filosofie is, vermengt met de genoemde thema’s. Vissen is filosofie, puur vanuit een handeling en het verstrijken van tijd op een wonderschone plaats, voor mensen die het leven werkelijk begrijpen.
De enige filosofie die wortels in de aarde, aan het water, en naast carnaval de enige filosofie die het moment grijpt. Dat is het grootste euvel van recent uitgewerkte denkwijzen, doodse slimmigheid en opgepoetste leegte verpakt als visie: er is geen link tussen hoofd en lichaam, tussen denken en handelen, tussen jouw plaats in deze wereld en dit moment, zoals een visser altijd uitgaat van plaats, tijd, stand van de zon, wind, en het leven onder het wateroppervlak.
Vissen is van een hogere orde.
Het boek is een portret van een familie, met een broer en een gelovige vader, en vooral een portret van vissen. Specifiek: vliegvissen. Dat is vissen met een werphengel waarbij een flossig vliegachtig soort haakje wordt gebruikt. Ik vis zelden met een werphengel, meestal met een vaste stok, een uitschuifbare telescoophengel van 5 meter die ik kocht toen ik dertien was. Een van de belangrijkste aankopen in mijn leven, naar de eerste cd-speler van het dorp en natuurlijk alle boeken die ik kocht.
Dit boek hoefde ik dus niet te kopen. Het viel als een geschenk op de mat. Ik maakte de envelop open en elf mooi gekleurde spinners staarden me aan tegen een zwarte achtergrond – een magnifiek omslag. Het zijn plukjes kunstaas, opgetuigde haakjes, die klaar lijken om carnaval te gaan vieren, maar die alleen dienen om vissen te lokken.
Het verhaal wordt opgetekend door de oudste broer, vooral dus over de vader en jongste broer, maar ook zo verteld dat hij bewust een zoektocht terug begint, zoals wanneer hij vertelt dat zijn broer een auto in de prak heeft gereden nadat hij een prairiehaas volgde die voor de auto uit over de weg rende. Hij wilde de haas niet aanrijden, maar zag en bocht in de weg niet:
‘Aangezien het in beide gevallen niet echt iets geweldigs was, besloot ik het verhaal te vergeten, en zoals je ziet heb ik dat niet gedaan. Maar ik begon wel na te denken over de vallei waar we heen gingen om te vissen.’
Alle verhalen daarna gaan over vissen, de rivier die sterk is en van stroom verandert, over de verhoudingen tussen de broers en tussen hun leven en vissen, en over de gelovige vader. Soms is de taal hard, zoals het moment waarop de verteller een vis vangt die tegenstribbelt bij een poging de haak te verwijderen. Hij steekt de vis dood. Soms is het poëtisch, zoals bij het beschrijven van de rivier en de mensen die er wonen. De broer is problematisch. Hij drinkt en houdt van vechten.
Die meanderende verhalen, opgeschreven in een mooie stijl, zonder witregels of adempauzes, gaan geleidelijk over van de mensen naar de rivier en weer terug, alsof het boek de enige mogelijke verbinding is. En dat is natuurlijk zo.
Iedere typering (Wat een ge-wel-dig boek! Schitterend opgetekend! Mensen lees dit meesterwerk. Invoelbaar tot op het bot) doet op een DWDD-achtige manier afbreuk aan de waarde van deze vertelling, die één-op-één schuilt in het koppelen van actie aan het lezen, al zijn het maar zes regels.
Iedereen die dit leest gaat daadwerkelijk vissen, of mist de clou volkomen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen