Met de bokser Muhammad Ali heb ik eerlijk gezegd niet zo veel. Ik hou van boksen, maar niet van boksers die zichzelf de beste noemen. De sport is uitgevonden om boksers die zichzelf de beste noemen mores te leren, en in het geval van Ali gebeurde dat heel soms. Joe Frazier won van hem, Ken Norton won van hem, Larry Holmes won van hem en George Foreman sloeg hem zeven ronden lang alle hoeken van de ring door, maar verloor.

En toch, als er een boek over Ali verschijnt wil ik dat heel graag lezen. Ik wil de andere kant van de bokser zien. Ali als praatjesmaker, als sarrende opponent, als recalcitrant ken ik wel. Vooral de documentaire over Joe Frazier schetst een schrijnend beeld. Frazier was geen woordkunstenaar, dat hoeft ook niet, maar het disrespect dat Ali in zijn woorden richting Frazier legde kende geen grenzen.

In ieder boek dat over Ali verschijnt hoop ik hem te zien als mens, als gelovige, als groot sportman, als de beste, maar dan op alle vlakken tezamen. Die kans kreeg ik toen afgelopen oktober een schitterend boek verscheen van Erik Dijkstra over de fotograaf Guus Dubbelman, die Ali vanaf zijn achttiende kon volgen. Verhalen die net iets meer brengen dan de verhalen die ik al ken, en vooral foto’s die Ali niet alleen heel dichtbij brengen, maar vooral een mens van hem maken. Voor even vergat ik zijn praatjes.

Boksen is geen sport waarin je winst haalt door je kwetsbaarheid te tonen. Tot een jaar of tien terug volgde ik het boksen van dichtbij. Ik schreef erover in kranten en weekbladen, leverde een bijdrage aan een ander mooi fotoboek over boksen, van Piek Kock, met als titel Seconds out, en keek op een stoeltje aan de scheidsrechtertafel toe in Carré naar de partijen die aangekondigd werden door Erik Dijkstra, de ringspeaker. Boksen is een open sport, je kunt zo de kleedkamer inlopen, als ze je een beetje kennen. Van oud-boksers en trainers leerde ik dat iedere bokser de ring in gaat om te winnen, niet om klappen te krijgen. Die instelling hebben beide vechters, en toch zal er één verliezen.

Boksen is mooi omdat je weet dat beide vechters niet laten zien dat ze kwetsbaar zijn, maar het toch zijn, en dat geldt zelfs voor Ali. Dat leert het boek Ali was mijn vriend me.

Na zijn verloren partij tegen Larry Holmes in 1980 vroeg Ali aan fotograaf Dubbelman: ‘Als ik ooit in de goot terecht kom, help je me dan?’

Het is een schitterend zinnetje, van een bokser die net verloren heeft, opgetekend door de strakke pen van Dijkstra, op een kwetsbaar moment. Ali was de vriend van Dubbelman, want hij liet de fotograaf dichtbij komen, maar na die nederlaag zocht hij toch expliciet een bevestiging van die vriendschap. Dat doen mannen niet vaak. Dat doen boksers misschien wel juist op zo’n moment.

Op de cover van Ali was mijn vriend staat dat het gaat over de bijzondere vriendschap tussen fotograaf Dubbelman en ‘de grootste atleet aller tijden.’ Dat laatste zal ik nog steeds niet bevestigen. Atleten vergelijken is moeilijk. Usain Bolt is de snelste atleet, maar op een voetbalveld legt hij het af tegen middelmatige profspelers.

Ik denk dat boksen de meest intensieve, meest directe, meest basale en daarom de mooiste sport is, om naar te kijken. Niet om zelf te doen. Dan is boksen opeens weer: klappen krijgen. Boksen is een kijksport. In ieder geval voelde ik bij voetballen, baanwielrennen, de Olympische marathon of een volleybalwedstrijd nooit de kick die een goeie bokswedstrijd me gaf.

Het mooiste sportmoment dat ik ooit live zag was het sprintje dat bokser Muhammet Uysal na een rake stoot die acht seconden voor zijn tegenstander opleverde, trok naar zijn hoek. Hij haastte zich de hoek in om langer uit te kunnen rusten. Dat vond ik boksen tot in de kern typeren. Bewust tempo maken om je vermoeidheid de baas te worden.

Bewondering voor de bokser Ali gaat bij mij hand in hand met de weerstand die ik altijd voel als hij begint te praten, zeker als hij tegen tegenstanders begint te praten. Woorden die kwetsbaarheid moeten uitpoetsen zijn irritanter dan een kwetsbare bokser die zwijgt.

Het boek Ali was mijn vriend heeft de mens Muhammad Ali een stapje dichterbij gebracht.

Jan van Mersbergen