In mijn schrijfworkshop behandelde ik het eerste hoofdstuk van Façade van Esther Verhoef. Het was een eenvoudige analyse van wat er verteld wordt, door wie, over wie, in welke tijd, en hoe de verteller steeds buiten zichzelf treedt en weer terugkeert in het heden. Het fragment is hier te lezen.
In de workshops valt vrijwel nooit een oordeel over de teksten, wel worden de vele vragen die de tekst oproept benoemd. Zoals over de eerste zin. ‘Mam, laat me nou.’
Ik weet nog niet dat een ik-verteller aan het woord is, ik weet alleen dat iemand om zijn moeder roept. De volgende zin maakt me duidelijk dat het Levi is die dit zegt en dat er ook een ik-verteller is die deze Levi vast probeert te houden, want Levi worstelt zich los. De ik-verteller begint met de stem van haar zoontje, met wat hij letterlijk zegt, zonder dat ze erbij zegt wie dat zegt. Dat lijkt ingewikkeld en overbodig, het is wat de vertelling doet.
Probeer iemand maar eens een verhaal te vertellen en begin dan met: ‘Mam, laat me nou.’ Met andere woorden: deze verteller wil zich verschuilen, wil iemand anders laten vertellen. Deze verteller zegt niet: ‘Mijn zoontje wilde dat ik hem met rust liet.’ Dan is de verteller dominant en vertelt ze mij zelf het verhaal.
Er werd tijdens de workshop vrij lang gesproken over het ‘los worstelen’. Dat is een vrij heftig werkwoord. Alsof er een gevecht gaande is. Alsof de ik-verteller dwang gebruikt. Dat is niet zo, dus waarom dan dat woord gebruiken en niet zoiets als: ‘Levi glipt tussen mijn armen vandaan’?
De derde zin maakt duidelijk dat Levi een jongen is (hij) en dat hij zich dood geneert omdat er een vriendje bij is. Dat ‘zich dood generen’ vind ik een beetje een sleetse uitdrukking, die wel in onze taal voorkomt, maar vooral in spreektaal, dus vaak gericht aan iemand anders. In een gesprekje met overdreven toon. Deze ik-verteller richt zich in dit zinnetje nu dus wel direct tot de lezer, en er is uitleg over wat haar zoontje meemaakt: gêne. Ook dat werkt twee kanten op. De mogelijkheid voor de lezer om een andere invulling aan de scène te geven wordt weggenomen. Tegelijkertijd wordt de jongen, haar zoontje, beschreven met zijn vriendje die ‘voor de caravan van zijn ouders op hem staat te wachten, een leren voetbal in zijn handen.’
De ik-verteller geeft in het heden veel informatie die de lezer (toehoorder) duidelijk moeten maken dat ze niet alleen zijn, dat ze op een camping zijn, dat er ongeduld is en dat de jongens willen gaan voetballen. Ook nog dat de voetbal van leer is, en daar wil een verteller vast ook iets mee duidelijk maken, maar dat heb ik overgeslagen. Waarom niet alleen ‘een voetbal’? Een leren voetbal zegt me dat dat vriendje kwaliteit gegund wordt, het is een echte voetbal, maar ook vertelt het dat de moeder van deze Levi oog heeft voor het materiaal van de bal op het moment dat haar zoontje wil gaan spelen.
De verteller begint als een ik-verteller die haar zoontje laat praten terwijl ze hem omhelst, iets wat die jongen moeilijk vindt of niet wil, maar aan het einde van deze eerste alinea is ze een beschrijvende verteller die duiding geeft over plaats, decor, materialen. Van verstoppen naar aanwezig zijn, dat doet deze verteller.
Zo zie je: ik behandel nu een eerste alinea van drie regeltjes in bijna vijfhonderd woorden. Dat ging aan het begin van die workshop zo een uur door, alinea voor alinea. Steeds ging het over de verteller en wat ze beschrijft, wie er bij haar zijn, welk verbond ze smeedt met de lezer, om daarna toch weer als personage door haar eigen verhaal te lopen.
In de tweede zin zakt de ik-verteller op haar hurken, ook al een vrij hard werkwoord, en beschrijft ze haar zoontje en ene Sander, die de lezer nog niet kent. Ik begrijp: dat is de vader. Ik vermoed dat moeder en vader uit elkaar zijn want een moeder met een moeilijk kereltje op een camping, dat lijkt sterk op gescheiden ouders. De kalmte waarmee de ik-verteller nu het zoontje beschrijft staat ver af van de worsteling die ze eerst beschrijft. In het heden, nadat de jongen zich losgerukt heeft, neemt de verteller tijd voor ogen en sproeten en wat de jongen van zijn vader en moeder heeft. Weer beschrijft ze.
Dan volgt een gesprekje. De ik-verteller doet een stapje terug, want ze voert zichzelf op als degene die spreekt, maar begint in deze vertelling met wat ze op dat moment zelf zegt: ‘Ik zie je over drie weekjes weer,’ met daar achteraan dat ze het zelf zegt. Ook dat is bijzonder: een verhaal vertellen en beginnen met wat je zelf zegt. Dan maakt de verteller van zichzelf twee vertellers: eentje is aan het woord tegen de lezer, de ander is aan het woord tegen haar zoontje.
Vergelijk wat er gebeurt als ze zegt: ‘Ik zeg mijn jongen dat ik hem over drie weken weer zie.’ Dat houdt de ik-verteller het woord en herhaalt ze niet letterlijk wat ze zelf zegt, of gezegd heeft, want het lijkt op een historische tegenwoordige tijd – een mooie vertelvorm in de tegenwoordige tijd waarin alles al gebeurd is. Moppen zijn vaak zo verteld: ‘Komt een vrouw bij de dokter, zegt die dokter…’ Dat is in het nu verteld, maar al achter de rug. En belangrijk: de verteller kent de afloop.
Een verhaal vertellen aan iemand (de lezer) betekent soms beschrijven: caravan en vriendje, maar ook vertellen wat er in het nu gebeurt. Als de ik-verteller dan vanuit het niets een gesprek weergeeft, of in feite letterlijk herhaalt, dan maakt ze van zichzelf een personages dat losstaat van de verteller. Ze wordt een camera.
Daarna volgt het dramatische, en in twee alinea’s opgedeelde: ‘Drie weken. Zo lang waren we nog nooit van elkaar gescheiden.’ Dat is weer informatie voor de lezer die op zich niets met het gesprekje tussen verteller en zoon te maken heeft. Deze ik-verteller zit in een dialoog met haar zoontje, en stapt daar dan weer uit om de lezer aanvullingen te geven.
‘Je vader haalt je volgende week op…’ Dat is voor mijn gevoel al genoeg. Ik weet wie dat zegt, maar weer is de ik-verteller nu alleen personage. Stel je voor dat je in de kroeg of op de markt iemand het verhaal verteld over het afscheid van je zoontje in de vakantie en de vader die hem komt halen. Dan zeg je: ‘Nou, ik kon hem wel even troosten. Ik zei hem dat zijn vader hem zou komen halen, en dat ze naar opa en oma zouden gaan. Dat haalde hem over.’ Ook een erg lange zin, maar wel een zin die de lezer vertelt wat de verteller meemaakte. Dat kan in de tegenwoordige tijd ook. Nu staat de dialoogzin los, zonder dat de verteller aangeeft dat zij dit zei (wat niet hoeft, maar wat dus wel vragen oproept). De verteller ontneemt zichzelf de rol van verteller.
Het vervolg, ‘en dan gaan jullie fijn samen naar het huisje van opa en oma in Zeeland’, is vrij lang en ook vol informatie die eigenlijk voor de lezer bedoeld is. De verteller en het jongetje weten dat hij naar opa en oma zal gaan. De verteller vult aan dat het fijn is om daarheen te gaan, dat het een ‘huisje’ is, dat het in Zeeland is. Allemaal zaken die het zoontje wel weet en amper verschil maken. Waarom zegt de ik-verteller niet kort: ‘Volgende week ben je met papa bij opa en oma’? Dat moet voldoende argument zijn. Dat stelt hem wel gerust. Echter, dan weet de lezer een heleboel zaken niet, en dat moet deze ik-verteller nog wel even kwijt. Anders vraagt de lezer zich af waar dat arme jongetje al die weken heen zal gaan. En dat zijn vragen die een lezer blijkbaar niet mag hebben.
Dus het zoontje wordt bestookt met informatie die voor hem een open deur is, omdat de lezer door de ik-verteller bediend moet worden. Met andere woorden: aan het begin van de dialoog is de ik-verteller verdwenen want ze herhaalt lukraak naar de lezer toe wat ze zelf zegt, maar aan het slot van deze dialoogzin is de verteller erg aanwezig want ze geeft de lezer handige, bijna praktische en geruststellende info, waarbij het jongetje gewillig toehoorder is.
Met ‘Weet ik toch al’ geeft de schrijfster aan dat het zoontje ook wel door heeft dat het allemaal een beetje veel informatie was, en de schrijfster weet het ook. Direct trekt de verteller zich weer terug in zichzelf, want ‘als vanzelf gaat mijn hand naar een weerspannige pluk haar…’
Dat is heel bewust een detail beschrijven en tegelijk aangeven dat de handeling vanzelf gaat. De ik-verteller zweeft boven zichzelf en heeft als personage niet door wat ze doet, maar als verteller wel. In die spagaat zit deze vrouw.
‘Halverwege bedenk ik me,’ voegt ze er ook nog aan toe. Het personage bedenkt zich, niet de verteller, dus ze is weer terug in het nu. Ze verloor zich even in haar gedachten.
‘Veel plezier lieverd,’ zegt ze nog. Het is duidelijk dat ze het tegen haar zoontje heeft, maar als verteller houdt ze geen controle want nu weer herhaalt ze wat ze zelf zegt.
‘Ik kijk hem na…’ Dat is even een moment van rust. De jongen loopt weg en nu kan de ik-verteller gaan beschrijven, en dat doet ze ook: ‘…opgetrokken schouders, de quasinonchalante tred waarmee hij zijn onzekerheid probeert te maskeren.’ Een vrij lange zin met moeilijke woorden waarmee de ik-verteller haar zoontje neerzet. De opgetrokken schouders maken de jongen wat hoekig, maar dat zie ik wel voor me. Ik weet niet hoe oud het jongetje is, ik denk een jaar of zeven. Hij heeft een vriendje en een voetbal. Ik weet niet of jongens quasinonchalant zijn, en al zeker niet om iets te maskeren. Jongens hebben een houding, dat zeker, maar hier vertelt een moeder me dat haar zoontje bewust zijn onzekerheid probeert te verbergen. Jongens kunnen onzeker zijn en nemen een houding aan, iets proberen te maskeren is doortrapt.
‘Naast me spitst Duifje zijn oren.’ Er is nog iemand! Het is een man die Duifje heet: zijn oren. Leuk en ook wat vreemd. Het zet aan tot verder lezen, het blijkt een hond. De mannetjeshond met de meisjesnaam wil met de jongens mee, maar zit vast. Dat is een mooi beeld. ‘Zachtjes begint hij te piepen.’ Dat is een zinnetje vanuit deze ik-verteller, dat een beschrijving geeft en een beeld en de situatie, alles bij elkaar. Een bijzonder sterk zinnetje.
‘Ik streel hem over zijn brede rug. We hebben iets gemeen…’
Hier eindigt de actie en ook mijn lezen, want ik denk: deze moeder en ik-verteller heeft ook een brede rug. Dat blijkt anders in elkaar te zitten, maar de suggestie was er wel eventjes. Gelukkig weet de ik-verteller gauw uit te leggen dat het een labrador is en dat hij van Bastiaan is. Dat is het vriendje.
Daarna gaat de ik-verteller los over haar zoontje en over zichzelf. Onderaan deze eerste bladzijde van hoofdstuk 1 wordt ze nu echt een verteller die de situatie waar ze zelf in zit een moment lijkt te vergeten. Ze mist de momenten dat het jongetje aanhankelijk was. ‘Toch mis ik stiekem…’ Het woordje ‘stiekem’ vertelt veel. Ze gaat zeven regels door over haar gemis, een beetje klagerig, maar ze geeft nog wel aan dat ze haar jongen stiekem mist. Ook hier is er een verbond tussen verteller en lezer, alsof de verteller de lezer wel meegeeft dat ze die jongen mist, maar andere personages niet.
Dan wordt er vanuit het niets ‘Iris?’ gezegd. Door wie? Die vraag wordt aansluitend beantwoord: Bo. Ik heb nog geen idee wie Bo is en waarom ze zomaar begint te roepen. Ik krijg wel het idee dat de schrijfster hier wil laten vallen dat de vertelster en hoofdpersoon Iris heet. Dat kan gemakkelijk door een ander personage even op te voeren, die ‘Iris’ aanspreekt. Maar die Bo was dus al de hele tijd bij Iris in de buurt. Ik heb haar in ieder geval niet aan zien komen lopen, en de ik-persoon ook niet. Waarom vertelt ze eerst wel dat ze een zoontje bij zich heeft, en een hond en een vriendje, en opeens is daar ene Bo waar ik nog niks over gehoord heb, maar die er wel was? Negeerde ze Bo?
Dat gebeurt verderop nog een keer, als plots Maarten geïntroduceerd wordt, en die Maarten is helemaal bijzonder. Waar Bo nog contact zoekt met de ik-verteller en haar als een yoga-juf probeert te laten ademen, zegt deze voorheen onzichtbare Maarten na wat gekibbel tussen Bo en de ik-verteller over de hond in een tentje, wat gedachteloos strelen van de hond (weer een handeling zonder gedachte die wel opgemerkt wordt door de vertelster zelf, bijzonder bewust en tegelijk onbewust) en wat hoofdschuddend gegrinnik, opeens: ‘Die jongens gaan geen oog dichtdoen…’
Opeens is Maarten er. Hij mengt zich tussen de ik-verteller en Bo, maar ook neemt de ik-verteller, die hem tot nu toe net als Bo steeds negeerde, wel over wat hij zegt. Het speelt dus wel een rol.
Dat klopt. Deze Maarten is belangrijk omdat hij aan kan geven dat de auto waar de ik-verteller, en nu komen we bij het verhaal, een barrel is. De dialoog kabbelt wat voort, zonder dat de ik de lezer het vertelt, maar letterlijk weergegeven, en er moet een afslag gepakt worden naar de reis die Iris gaat maken, en haar auto. In een erg lange dialoogzin maakt Maarten duidelijk dat de auto niet heel betrouwbaar is, als een kenner, en daarbij: ‘Je moet er toch niet aan denken dat je als vrouw alleen met zo’n barrel langs de weg komt te staan.’
Ik voel meteen: Maarten is de psychopaat. Ik weet niet of dat klopt, maar deze zin is opgeklopt en eng en zal Iris niet echt geruststellen.
‘Ik kijk hem gealarmeerd aan.’
Gelukkig is ook de hoofdpersoon doordrongen van de ernst van de zin van enge Maarten. Ze heeft een vreemd plan: met een oud brik ver weg gaan. Waarom Maarten niet eerder iets geeft gezegd over de gevaren en zijn twijfels is onduidelijk. Hij weerhoudt Iris in ieder geval niet van haar plan. Het is alsof hij de krant leest en kinderen, hond en vrouwen wat rondhangen bij de caravan, en hij even een irritante aanvulling geeft over het plan van Iris.
Hij zegt ook dat je ‘als vrouw’ niet langs de kant van de weg moet komen te staan. Dat soort situaties zijn voor mannen en vrouwen niet prettig, deze Maarten suggereert dat het voor een vrouw gevaarlijker is. In feite zegt hij tegen Iris: Jij gaat verkracht worden. Om daarna weer verder te lezen in de krant die hij gevoelsmatig in zijn handen heeft.
Het kan ook zo zijn dat de ik-verteller zijn stress terzijde schuift, want ook na zijn waarschuwing begint Iris aan een verhandeling over haar reis, die ze toch van plan is te gaan maken. Ze strooit weer met informatie: naar Portugal, erg lang rijden, naar haar moeder en vriend, en ze is bang want ze heeft nog nooit in het buitenland gereden en nooit alleen. Ik weet niet hoe Iris met haar zoontje op de camping is gekomen, maar misschien reed ze met haar zoontje daarheen (of ze zat bij Maarten en Bo in de caravan en die oude auto stond daar al ergens, maar autorijden met een kind is enger en verantwoordelijker dan alleen rijden. Doet er op zich weinig toe, Iris neemt flink het woord en trekt op een geven moment de alinea’s uit elkaar:
‘Alles is geregeld.
Er kan niets mis gaan.’
De ervaren thrillerlezer weet: dat gaat mis. Echter, deze verteller kruipt nu weer helemaal in haar schulp, alsof plaats en tijd er helemaal niet meer toe doen. En de lezer die ze eerst netjes van informatie over het huisje van opa en oma in Zeeland voorzag is ze ook vergeten. Ze geeft nu niet alleen informatie: ‘er kan niets misgaan,’ maar ze geeft ook suggestie.
Dus even voor de goede orde: we hebben hier een ik-verteller, tevens hoofdpersoon en moeder, die de reis zonder haar zoontje nog moet gaan maken en die de lezer aan het handje mee zal nemen, maar die ook spanning oproept bij de toehoorder over de risico’s die ze zelf loopt. Let op de verschillen tussen hoofdpersoon en verteller, tussen slachtoffer zijn en voorspelling. Let ook op de verteller die wel de spanning al aankondigt maar de afloop nog niet weet. Is ze helderziend? Wil ze eenvoudigweg de lezer een spannend verhaal over zichzelf meegeven? Of is dit een alwetende verteller vermomd als vrouwelijke hoofdpersoon?
Veel vragen. Bo is er om de gedachten van Iris en van de lezer te doorbreken.
‘Heb je er zin in?’ vraagt Bo.
Bo brengt luchtigheid, alsof ze de toon van een damesblad terug wil brengen. Een reisje maken, dat is leuk. Ondanks dat haar man bangmakende opties opdreunde.
Iris weet dat, waardeert dat, en wordt persoonlijk. ‘Het is heel gek…’ Ze kan zich niet voorstellen dat ze straks in Portugal zit. Ze kan zich zelfs niet voorstellen dat ze daar helemaal heen zal rijden. Het voelt als een slecht voorbereide reis in Ik vertrek, met de twijfels van een moeder. Waarom doet ze dit? Afscheid nemen van haar zoontje, alleen op reis gaan? Al die enge dingen ondernemen?
Op die vraag stuurt het eerste hoofdstuk aan, want in de laatste zinnen verandert Iris van een onzekere twijfelaar in een zelfverzekerde vrouw die zichzelf toespreekt. Ze was zo lang afhankelijk van allerlei mensen en dat wil ze niet meer. Ze wil weten wie ze is, wie ze wil zijn en wat ze kan zijn. Dat ‘kan’ cursief gedrukt staat is ook een suggestie voor de lezer: er gaat iets gebeuren. Iris onderschat zichzelf. Ze kan echt van alles zijn, maar ze weet het nog niet. Ze vertelt het echter al wel, in de derde persoon, over zichzelf, Iris van der Steen, met haar achternaam erbij, alsof ze zichzelf eraan wil herinneren wat ze gaat doen, en hoe ze ook alweer heet.
‘Daar wil ik deze zomer achter komen.’
Einde van het eerste hoofdstuk. Deze Iris gaat het doen: een avontuur beleven én een avontuur vertellen. Het vertelmotief schuilt in de zoektocht naar zichzelf. Duidelijk. Het is inderdaad alsof ik een glossy lees. Daarin zijn zoektochten naar je eigen ik heel gewoon. In een vertelling is een ik die zichzelf in iedere zin zoekt en kwijtraakt echter wat vreemd. Of niet? Misschien zegt juist dit iets over het wisselen van verteller naar personage en andersom. Dat is misschien wel heel gewoon. Iets doen, en tegelijk vertellen dat je het doet en daarbij zoeken naar waarom je het doet, en dat met andere personages om je heen die je soms wel ziet en soms niet, en die soms wel een rol spelen, als jouw vertelling dat nodig heeft.
Het was een bijzonder uur tekstanalyse. De aansluitende opdracht voor de workshopdeelnemers was: schrijf deze passage, met een moeder en een zoontje op een camping en het afscheid nemen, vanuit een derde persoon. Liefst vanuit een filmcamera, totaal beschrijvend, zonder duiding en invulling. Dan gaan we straks kijken wat er dan van deze scène overblijft.
Dat hebben ze gedaan, om daarna nog een keer de scène te herschrijven vanuit het jongetje. Ook interessant.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen