Een dag na de allerlaatste aflevering van het boekenpanel van DWDD ging mijn kaasschaaf stuk.
Op internet zocht ik een nieuwe. Ze hadden ze bij Bol, maar die kaasschaaf bleek te goedkoop voor gratis verzending en daardoor werd-ie weer duurder.
Dus ik dacht: ik koop er een boek bij. Jammer voor de plaatselijke boekhandel, waar ik trouwens ruim twee kilometer voor moet fietsen, maar bij die kaasschaaf zocht ik dus ook een boek.
Op dat moment herinnerde ik me de lovende woorden van de Vlaamse boekverkoper die de vorige avond bij DWDD via een inbelverbinding te zien en te horen was, want hij kon niet naar de studio komen. Hij sprak over Max, Mischa & het Tet-offensief. Ik vond zijn woorden aanstekelijk, maar deed eerst even een check. Wat is dat voor boek?
Die lovende woorden van het panellid zeiden zoals gewoonlijk vrijwel niks over het boek, behalve dat het nog beter is dan Een klein leven, ook een erg dik boek waarin de woorden over elkaar tuimelen.
Dit boek van Johan Harstad heeft het leven van de vriendelijke boekverkoper veranderd, zo vertelde hij langzaam, om de impact van zijn woorden te vergroten. Op welke manier het boek zijn leven veranderd heeft werd niet duidelijk. Hij heeft nog steeds een baard, hetzelfde accent en hij zit nog altijd in Antwerpen. Misschien had het boek zijn innerlijk veranderd?
Hij ging door, inmiddels dolenthousiast. Dit was het allerbeste boek dat hij ooit gelezen heeft, een boek waarvoor je twee weken vakantie wilt nemen, een boek waardoor je vergeet uit te stappen bij de bus, het ultieme quarantaineboek, een ongelofelijk dik boek, fantastisch, de hoofdpersonages zijn vrienden van de boekverkoper geworden, ondanks dat hij nooit ver in de roman gekomen is. Hij liet zien waar zijn bladligger tussen het boek zat. Hij moest nog heel wat lezen.
Buiten adem stopte de boekverkoper met zijn lofrede.
Lovende woorden verkopen boeken. Duidelijk. Het zijn woorden van een fan, een bewonderaar van iets dat erom smeekt bewonderd te worden. Dat is een speciaal soort boeken, als de radio bij de buren die net iets te hard staat. Eenrichtingsverkeer. Overdonderend, maar je krijgt er koppijn van.
Ik las een fragment. Ik worstelde me na een sterke beginzin (‘De dag begint.’) door een eerste pagina vol twijfelachtige formuleringen.
Zo is bijvoorbeeld te lezen dat ‘een dag een dag is’. Interessant hoor.
‘Een dinsdag is een dinsdag.’ Goed om te weten.
De herhaling van de dagen is vervelend en niemand kan daar iets aan doen, staat er. Iets van die strekking.
Een totaal overbodige eerste bladzijde van enkel hetzelfde geklets, dat wordt voortgezet op de volgende bladzijde die me vertelt dat er geen wolkje aan de lucht is, maar misschien ook niet, dat is natuurlijk onzeker. De verteller zou het kunnen navragen maar ziet de onzinnigheid van zijn vraag in. Dat is op zich een juiste opmerking, maar de onzinnigheid van zijn eigen vertelling ziet hij, dat weet ik nu al, niet in.
De enige goeie zin van de complete derde alinea is de openingszin: ‘Ochtendschemering boven Minneapolis/St.Paul.’ Als die zin gekoppeld was aan de beginzin die me vertelde dat de dag begint, had het nog wat kunnen worden. Tempo omhoog, lekker lezen. De dag begint, ochtendschemer, ik weet waar we zijn, begin maar lekker met je verhaal, ik zit er klaar voor.
Maar nee. In de vreselijk lange derde alinea laat Harstad zijn verteller doorleuteren over ochtendlicht waar iets voor geldt, waarschijnlijk, zou evengoed niet zo kunnen zijn, misschien… Iedere krachtige formulering wordt teniet gedaan door zouteloze aanvullingen van slap gepieker.
Ik leer wel ‘dat ’s ochtends bijna alles er beter uitziet, ook de mens.’
Een lukrake opmerking waarin vooral het woordje ‘bijna’ opvalt. Dat is wel spannend, achterhouden wat er ’s ochtends niet beter uitziet, maar dat is de bedoeling niet. Wederom heerst die vervelende twijfel. Vertel me wat er aan de hand is, hou me niet aan het lijntje.
Verderop: de verteller zou moeten slapen, maar kan niet slapen. Klets niet, praatzieke mafkees! Ga uitrusten, val mij hier niet mee lastig.
In iedere zin: ‘het zou kunnen dat…’ Of: ‘mogelijk dit..’ ‘Het is niet ondenkbaar dat…’
De verteller ziet ergens in een gebouw licht branden en probeert te bedenken wat er daar gebeurt. Zijn eigen leven is na twee bladzijden al niet interessant genoeg. Ik voel: er komt geen verhaal, geen handeling, geen beelden die mijn gedachten in gang zetten. Ik zit met een verteller opgescheept die werkelijk iedere kleine gedachte op tafel moet leggen, die me moe gaat maken. En dit gaat nog dertienhonderd bladzijden zo door.
Fantastisch, ultiem, ongelofelijk! roept de boekverkoper uit Vlaanderen. Hier kom je de quarantaine wel mee door.
Het boekenpanel was een bijzonder succes. Verkopers als fans die anderen fan willen maken, dat is een slimme formule. Als zo’n item over muziek was gemaakt dan had een man die zijn dagen in een platenwinkel slijt op tv zijn favoriete muziekje net even iets te luid opgezet en er doorheen geschreeuwd: ‘Dit heeft mijn leven veranderd!’
Niemand was daar ingetuind. Daarom komen soms over muziek mensen aan het woord die verstand hebben van muziek, zoals Henny Vrienten die uit mag leggen wat een basloopje kan doen als het net even iets anders gespeeld wordt. Een muzikant die laat voelen wat muziek kan doen.
Nu is muziek een kunstvorm die direct binnenkomt. Over beeldende kunst, film, dans en toneel wordt ook alleen maar gesproken in superlatieven. De makers komen amper aan het woord, alleen gillende bewonderaars.
Voor schrijvers die proberen te doorgronden wat een boek doet wanneer de component ‘imponeren’ weggelaten wordt, is vanzelfsprekend helemaal geen plaats op de buis, en ook niet in geschreven media die zichzelf erg graag neer willen zetten als vertrouwenspersonen van de literatuur.
Het einde van het boekenpanel laat geen leegte achter. Het ontbreken van dit soort leegte zal als een gemis worden ervaren omdat lezers enthousiaste fans nodig hebben die zeggen: ‘Dit is fantastisch, ultiem, ongelofelijk.’
Bij verjaardagen is altijd wel iemand die net een boek heeft gelezen wat zijn onveranderlijk saaie leven heeft veranderd en die daar zijn mond niet over kan houden. Niemand vraagt hem wat er veranderd is, wat voor boek het is, hoe dat boek in elkaar zit. Die verjaardagsklant kan niet aangeven wat er zo bijzonder aan is, hoe de vertelling bij de lezer binnendringt en welke technieken de schrijver gebruikt. Hij (altijd een man, maar dat verandert snel genoeg) wil alleen dat anderen ook die kans krijgen hun leven te veranderen, door dit boek.
Aanstekelijk, maar als een doos zonder inhoud.
Het opvullen van de lege leegte zal moeiteloos door een ander tv-programma op zich genomen worden. No worries. Het zal me niks verbazen als over een tijdje politici, sporters of een weerman af en toe een boek fantastisch, ultiem en ongelofelijk noemen. Lezers zullen er de komende boekenpanel-loze tijd op wachten. Boekverkopers ook. Uitgeverijen ook. Iedereen.
Maar terug naar het boek van Harstad. Die derde alinea lijkt nog even voet aan de grond te krijgen als de verteller begint over zijn toneelervaring, maar ontspoort totaal als de verteller een echte acteur blijkt te zijn die zegt: ‘Ik neem mijn ziel met me mee de zaal uit, maar hij voelt steeds minder eigen, eerder als een vergeten rekwisiet dat ik uit beleefdheid meeneem voordat de lichten doven.’
Had Harstad maar een kaasschaaf gehad, daar ergens in Noorwegen. Niet om brunost te snijden, de caramelkleurige Noorse kaas, maar om eens even secuur zijn proza wat af te schrapen.
Je ziel, die steeds minder eigen voelt, meenemen de zaal uit. Rot op zeg.
Was dit de inspiratie voor de geweldige sketch van Hans Teeuwen over een schrijver en zijn geleuter? ‘Het illustreert de wanhoop die ik voel op het moment dat ik mezelf probeer aan te kijken in de spiegel die op mijn rug hangt.’ Een gouden zinnetje, maar alleen in een persiflage.
Fantastisch, ultiem, ongelofelijk.
Deze termen zijn op ieder boek te plakken als je geïmponeerd wenst te raken en mensen een boek aan wilt smeren wat doorgaat voor fantastisch, ultiem en ongelofelijk, van hoogstaande literatuur, maar die mensen opzadelt met een baksteen van een holle vertelling. De echo van een scheet in een betegeld trappenhuis.
Of had de boekverkoper deze roman niet uitgelezen omdat hij er totaal niet doorheen kwam? Dat lijkt me aannemelijker. Hij redde zich in de uitzending door te stellen dat hij niet wil dat het boek ooit afloopt, zo goed is het.
Ja ja.
Ergens in de roman verzucht de verteller: ‘Ik schrijf dit tenslotte voor jullie, voor ons, voor mezelf.’
Voor wie schrijf je nou, warhoofd?
De volgende zin maakt dat enigszins duidelijk: ‘Ik schrijf dit voordat ik het vergeet…’
Nou, dan weet je: deze radiozender staat nog wel even een paar uurtjes open. Zenden maar, Harstad!
‘Ik raak jullie langzaam maar zeker kwijt,’ staat er een paar regels verder.
De verteller weet het, Harstad had het moeten weten. Mij ben je al kwijt.
Gelukkig is er een google-versie van dit boek, die me deed besluiten dit boek niet aan te schaffen. Die nieuwe kaasschaaf haal ik wel bij de supermarkt, waar ze bij de kaasafdeling die dingetjes verkopen, waar ze iets duurder zijn, maar geen verzendkosten nodig.
Ik weet in ieder geval dat die kaasschaaf een tijdje zijn werk zal doen, net als dit niet-gekochte boek.
Ik zal het url van de google-versie van Max, Mischa & het Tet-offensief bij mijn favorieten opslaan, in het mapje ‘schrijven’.
Soms zal ik erdoorheen scrollen en vol verbazing een stukje lezen. Gegarandeerd succes.
Het verhaal doet er niet toe, de bladzijden vol twijfel, vol treurige gedachten zonder enige levenslust (‘Is het trouwens niet raar dat ik niet meer weet wat we die dag zouden gaan doen?’), het gebrek aan handeling en duidelijke richting die de lezer mee kunnen slepen, nergens een beeld dat net even iets verder gaat dan de verwarde mening van een patiënt, de horkerige dialogen die de verteller doen verdrinken, het lukraak overnemen van vreselijk lange monologen van andere personages, het uitsmeren van het klein beetje actie dat nog in het boek terecht is gekomen, het zal me in tijden dat ik het echt niet meer weet precies vertellen waarop ik me in mijn eigen schrijven moet focussen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen