Het einde van de film Billy Elliot, als de jongen te horen krijgt dat hij is toegelaten aan de dansacademie, deed me denken aan de slotscène van De helaasheid der dingen, de magistrale verfilming van het gelijknamige boek van Dimitri Verhulst. De hoofdpersoon rijdt op een brommertje. Hij probeert te ontkomen aan het gezin waarin hij opgroeide, en schrijven geeft hem die kans.
Of hij nu schreeuwt op zijn brommertje of alleen zachtjes huilt weet ik niet meer, ik weet alleen dat de filmbeelden me een herkenbaar verstilde jongen lieten zien die zijn kans gegrepen had. De kans was er, hij greep hem.
In Billy Elliot gaat de jongen dansen, zonder dat hij weet waarom. Boksen is niks voor hem. In de boksschool wordt ballet gegeven, dat sluit beter aan. Zijn vader en broer zijn mijnwerkers in staking. Al die lijntjes komen natuurlijk bij elkaar, de afstand tussen werken in de mijn en dansen wordt in twee uur geslecht, vader en zoon omhelzen elkaar aan het einde, en Billy gaat naar de balletschool.
Ik moest denken aan een jongen die bij mijn oudste zoon in de klas zat, op de basisschool. Hij ging heel snel al van school af, want hij ging naar de balletacademie. Zijn oudere broer ken ik van het voetballen, hij speelt bij de concurrent. De vriend van mijn zoon danst inmiddels in grote producties. In de film gaan de vader en de broer van Billy naar een show kijken waarin Billy danst. Hij is volwassen. Hij springt heel hoog.
Toen ik hoorde dat Meulenhoff mijn manuscript uit wilde gaan geven reageerde ik net zo verstilde als deze twee filmfiguren. Wat moet je doen? Billy Elliot zit in een stoel en drukt een kussen tegen zijn lijf. De jongen op de brommer in De helaasheid der dingen geeft gas met zijn brommer. Ze zeggen niks. Ze zitten stil, ook de jongen op de brommer. Ze gaan toch vooruit.
‘Waarom dans je?’ vragen ze aan de jongen in de dansfilm.
‘Don’t know,’ zegt hij.
Maar hij weet het wel. Hij wil verdwijnen, en als hij danst kan dat.
Er juist zijn door te verdwijnen.
Ik zat in een klein kamertje tussen stapels boeken helemaal boven op zolder in het pand aan de Herengracht, waar Meulenhoff destijds nog gehuisvest was.
‘We gaan je roman uitgeven,’ zei de redacteur, ‘maar dat moet wel ergens voor september want in augustus ben ik hier weg. En verder gaan we aan jouw oeuvre bouwen.’
Dat was de mededeling. Op de fiets naar de gracht wist ik niet wat ik moest verwachten. Ze nodigden me niet voor niets uit, stelde ik me zo voor. Met schrijvers waar ze niks mee willen gaan ze niet praten. Op de terugweg fietste ik over de Vijzelstraat. Voor mijn gevoel fietste ik midden op die mooie brede stadstraat. Ik huilde niet, ik schreeuwde niet.
Ik kreeg een kans er te gaan zijn.
Nog steeds geloof ik soms niet dat schrijven zo’n kans kan geven en dat schrijven daadwerkelijk iemand er kan laten zijn, maar zoeken naar de motieven waarom ik schrijf brengen me vaak terug bij die halve minuut fietsen over de Vijzelstraat – ik trapte behoorlijk door.
Naast dat me soms gevraagd wordt waarom ik schrijf wordt me ook weleens gevraagd waarom ik jonge schrijvers bij uitgeverijen aanbreng, met ongepubliceerde manuscripten.
‘Don’t know,’ is mijn eerste antwoord, maar in feite doe ik dat omdat ik nog vaak genoeg terugdenk aan de kans die ik kreeg en wil ik die schrijvers zien fietsen door de Vijzelstraat, zoals ik daar twintig jaar geleden fietste.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen