‘Tranen van gevoel, biggelen over mijn smoel.’

Dat zei mijn toenmalige teamgenoot Paul ergens midden in de jaren negentig toen we in Friesland naar een geit stonden te kijken. In die periode reisde ik met mijn voetbalteam een paar keer naar Friesland, voor een weekendje zeilen. We hoopten altijd dat er weinig wind stond.

De accommodatie was een boerderij die nog wel in gebruik was, je rook de koeien en er was een boerenknecht die met ons bier kwam drinken, maar die toch een deel kon verhuren aan groepen. Je sliep op de vliering, op een stoffige houten vloer waar je campingmatrasjes neer moest leggen. Beneden in de keuken stonden lange tafels, een koelkast, een wasbak, een fornuis.

Het zeilen was bijzaak. Wel mooi hoor, een paar uur op zo’n valkje het water op, met z’n vieren in een boot en zo ingedeeld dat er bij die vier altijd wel iemand zat die wist hoe je moet zeilen. Nou is zeilen niet zo moeilijk, je moet even aanvoelen aan welke touwen je moet trekken en welke kant je op moet draaien als je overstag gaat. Dat kan linksom of rechtsom, en als iedereen weet wat er gaat gebeuren kan er weinig mis gaan. Dus werd er soms wat geroepen, werd er gebukt, werd het roer omgegooid, en kwam alles weer tot een normale stand en konden we aan boord verder gaan met rustig bier drinken.

Het mooiste was het wanneer er helemaal geen wind stond en je dus op de motor moest tuffen. Dat geluid is rustgevender dan het nerveuze ruisen van de wind. Met de motor kon je die rare zeilmanoeuvres achterwege laten. Eindelijk kon je genieten van het landschap, dat erg sfeervol is, en net zo plat als de polder waar ik vandaan kom.

Friesland is echt prachtig. In ieder geval waren de dagen en de avonden die ik daar met mijn oude voetbalteam meemaakte geweldig. We hadden niet veel meer nodig dan een pak kaarten om te toepen, wat afleiding van mensen buiten de groep, wat te drinken, en elkaar. Friesland stond niks in de weg. Dat was opvallend. Friesland is ruim en open, maar wat belangrijker was: Friesland gaf de ruimte en de openheid die we zochten.

Toen die geit daar stond, heel kalm en superieur, ondanks het touw, op een donkere avond aan het water, bij de klotsende bootjes, was het fris en toch trok niemand een trui aan. Iemand ging vuurspugen, een paar jongens sprong het water in, en die ene jongen liet zich ontroeren door de geit.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen