Schrijven over voetbal gebeurt bijzonder veel, meestal verslagen die soms poëtisch gekleurd worden, soms in literair tijdschrift als Hard gras, dat verhalen net zo belangrijk vindt als de sport, soms in non-fictieboeken, biografieën die heldenverhalen of verhalen over gevallenen zijn, maar zelden in romans. Voetbal in fictie is heel erg moeilijk. Voetbal in fictie wordt al snel All Stars: leuke jongens bij elkaar, wat gekwebbel en bier drinken, maar weinig over voetbal zelf.
Nu is voetbal bekend terrein. Ik speel sinds kort bij de veteranen, ben leider van het tweede elftal en kom graag bij mijn club. Daar wordt me zelden iets over mijn schrijven gevraagd, of alleen af en toe de vraag of ik ooit een boek over deze club ga schrijven. Mijn antwoord: Nooit! Niet in non-fictie en niet in fictie.
Voetbal in fictie is beter te vermijden. Toch schreef Gerrit Janssens een roman over twee broers waarvan de een voetballer is en de ander een moeilijke jongen. En het deel dat voetbalfictie nou zo moeilijk maakt, het schrijven over de sport zelf, met al zijn beweging, sociale kanten, motivatie die botst met andere belangen, dat lukt Janssens zeer goed.
De broers zijn Len en Jon. De laatste is middenvelder. In het eerste hoofdstuk loopt-ie tegen een rode kaart aan en raakt hij in gesprek met een bekende Duitse club, waar Toni Kroos begon. Van alles spelers die Janssens had kunnen kiezen als voorbeeld, als leidraad en als bekend baken koos hij deze kleurloze Real Madrid-spelers en Duits International, een speler die nooit opvalt. De Dieter Eilst van onze tijd.
In ieder geval, na de rode kaart vertelt Jon:

‘Ik geef mijn basispositie op, wil geen spelmaker meer zijn, nergens meer. Wil nooit meer een bal aanraken, daar, ik trap mijn Mercurials al uit, schoenen van tweehonderdzeventig euro, belachelijk allemaal, weggegooid geld, wandel op mijn sokken in het gras, mijn voeten bevrijd, en weet zeker, nooit zal ik nog een match op televisie zien, allemaal gedoe, allemaal fifafoefa, zei je en je hebt gelijk, klaar mee, tot een scout van Hansa Rostock me vijf minuten later in de kleedkamer vraagt wat ik wil in mijn leven. Of verkassen naar hun eliteschool in Duitsland eine Option voor me is.’

Dat loopt lekker, en dan bedoel ik niet zo op sokken zonder voetbalschoenen, ik bedoel de zinnen, het ritme, het tempo, het schakelen van veld naar schoenen naar Duitsland, het Duits bekt zelfs goed.
Len is vertrokken naar Nieuw Zeeland, ook bekend terrein, althans het Noordereiland. Dat bezocht ik twee keer. Nieuw Zeeland is een spannend ver land, maar tegelijk aangeharkt. Netjes. In deze roman is dit land de vluchtplek van Len, zo ver mogelijk weg.
Het gaat natuurlijk om de broers, en dus schakelt Janssens tien jaar terug in de tijd om te vertellen hoe die verhouding was, Jon als jongen van zes, Len als ongeleid ouder projectiel:

‘Jij zou met de jaren veranderen, mondjesmaat beter passen in een wereld waarvoor je niet gemaakt leek, die je tegenwerkte, maar je kern zou blijven: dat de dingen moeten en zouden gebeuren op jouw manier, op jouw voorwaarden.’

Er zijn jongens die dat doen. Daar is iets mis mee, en deze roman focust op de sociale impact. Len zit op het dak, Jon zit beneden in de chaos.
Het jij-perspectief werkt erg goed, het schept de afstand tussen de ik-verteller en de broer die onhandelbaar was. Jij. Geen directe beschuldiging, wel het uit elkaar trekken van ik en de ander.
Jij-perspectief is moeilijk. Vaak een klagerige simpele aanklacht, soms een mooie vorm, zoals in Walter van den Bergs Van dode mannen win je niet waarin een spannend bondje gesmeed wordt tussen de verteller en zijn stiefzoon die aangesproken wordt en in Bright light, big city van Jay McInerny waarin de lezer aangesproken wordt en als een jij door NY doolt.
Janssens kent de vorm. ‘Je hebt de tuindeur open laten staan,’ is een beschrijving waarna de reden komt. Geen verwijt, wel een feit. Janssens houdt het meestal feitelijk zodat Jons woede en machteloosheid voelbaar wordt.

Poëtische korte zinnen, afgewisseld met even poëtische lange zinnen. Len gaat over ritme van tekst, en de lezer doet er goed aan zich langzaam op dat ritme mee te laten drijven. De verteller blijft zich richten tot de ander, en de lezer kijkt over zijn schouder mee – intiem:

‘Jou vangen, jou grijpen. Blijven klimmen jij. Drie woorden als een gebod, als raad, en een stukgemaakte musketon die je me ooit hebt gegeven in plaats van woorden die je nooit hebt gevonden. Jaren heb ik het ding bewaard, zonder echt te weten waarom, tot het moment daar was om het terug te geven. Onze schakel door al onze dagen heen, hoeveel kilometers ons ook van elkaar zouden scheiden.’

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen