Een gordijn aan regen, maar het geluk dat de wind dat gordijn met een beetje geduld zo opzij schuift. Het was druk in het café.
Ik opende de avond met een gedicht van Wislawa Szymborska. Het heet Poëzieavond.

Er zijn nu twaalf mensen binnen,
tijd om met lezen te beginnen.
De helft is er omdat het regent,
en de rest, dat is familie.

Veel bekenden, inderdaad. Vrienden, familie, schrijvers, vaste gasten.
Verderop in het gedicht:

Op de voorste rij zit een oudje heerlijk te dromen
dat wijlen moeder de vrouw uit het gras is opgestaan
en hem een pruimentaart bakt.
Vurig, maar niet al te – anders brandt het aan –
beginnen we te lezen.

Szymborska keerde terug, die avond. Een ander gedicht van haar heet Gesprek met een steen. Het gaat over iemand die op de deur klopt van een steen en vraagt of er opengedaan kan worden. ‘Ik wil in je binnenste rondkijken.’
De steen heeft er geen zin in. De steen houdt af, maar iedere redenering om de indringer buiten te houden wordt gevolgd door een nieuw argument om toch maar even binnen te kunnen kijken.
Tot de steen de oplossing weet:

‘Ik heb geen deur,’ zegt de steen.

Een ander gedicht had ik nog op mijn papiertje staan: De vreugde van het schrijven. Mooie titel voor in de kroeg waar de voorleesavond een viering was van het schrijven en van het lezen.

Waar rent die geschreven ree door het geschreven bos naar toe?
Gaat ze van het geschreven water drinken
dat haar snuitje als een doorslag spiegelt?

We bleven nog even wachten tot het droog werd, toen fietsten we naar de andere kroeg.
Iets maken, met woorden. Szymborska had goed door wat dat betekent, want verderop komt ze niet alleen bij de schoonheid van geschreven woorden die een hertje door het bos laten rennen en water laten drinken, ze ziet ook de dreiging:

In elke druppel inkt zit een flinke voorraad
jagers met toegeknepen oog,
klaar om langs de steile pen omlaag te rennen.
de ree te omsingelen en aan te leggen voor het schot.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen